Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
12-3626 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering na einde wachttijd. Appellant was reeds voorafgaand aan zijn indiensttreding op 12 november 1990 bekend met aanmerkelijke psychische problematiek. Terecht toepassing artikel 30, eerste lid van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3626 WAO

Datum uitspraak: 21 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juni 2012, 11/1518 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere reactie ingediend.

Hert onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 april 2014. Namens appellant is

mr. Hermans verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in het kader van een werkervaringsplaats met ingang van 12 november 1990 voor de duur van een jaar benoemd als assistent onderhoud/vandalismepreventie in de [naam school] te [vestigingsplaats]. Per 1 maart 1991 is hij uitgevallen ten gevolge van kaakproblemen. Tevens ontwikkelde appellant psychische problemen. Verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling door de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) heeft geleid tot het advies van 21 mei 1993 aan de rechtsvoorganger van het Uwv om aan appellant uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te weigeren. Volgens het advies wordt de algehele arbeidsongeschiktheid die bij appellant bij de aanvang van de verzekering op 12 november 1990 bestond geheel en blijvend buiten aanmerking gelaten. Subsidiair is overwogen dat de arbeidsongeschiktheid kennelijk binnen een half jaar na aanvang van de verzekering kon worden verwacht en om die reden buiten aanmerking wordt gelaten. Het is niet bekend of naar aanleiding van het advies van de GMD een besluit is genomen.

1.2. Vanuit de situatie dat hij uitkering ontving op grond van de Wet werk en bijstand heeft appellant op 19 januari 2010 een aanvraag om een WAO-uitkering ingediend. Daarbij heeft hij vermeld dat hij in 1990/1991 als conciërge heeft gewerkt en dat wegens onbekendheid met wetgeving sprake is van een late aanvraag. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 15 november 2010 WAO-uitkering geweigerd. Daartoe is overwogen dat appellant laatstelijk op 11 november 1990 verzekerd werd op grond van de WAO, dat hij toen reeds volledig arbeidsongeschikt was en dat het Uwv gebruik maakt van de bevoegdheid om vanwege die reeds bestaande arbeidsongeschiktheid uitkering te weigeren. Mocht gesteld worden dat appellant bij de aanvang van de verzekering nog niet arbeidsongeschikt was, dan is het Uwv van oordeel dat de arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar te verwachten was en dat ook in die situatie gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheid om geen

WAO-uitkering te verlenen. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 26 juli 2011 (bestreden besluit), na advisering door een bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van
15 november 2010 herroepen. De rechtbank heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de beschikbare gegevens die ten grondslag liggen aan het destijds gegeven GMD-advies van
21 mei 1993 ondubbelzinnig blijkt dat de ziekmelding van appellant van 1 maart 1991 heeft geresulteerd in een weigering van de WAO-uitkering. Dat geen weigeringsbesluit aanwezig is, doet daaraan volgens de rechtbank niet af. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv niet bevoegd was opnieuw over de aanspraken van destijds te beslissen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte van het bestaan van een besluit op grond van het GMD-advies van 21 mei 1993 is uitgegaan; zij had inhoudelijk op het beroep van appellant dienen te beslissen. Voorts heeft appellant betoogd dat het Uwv ten onrechte heeft gesteld dat hij bij aanvang van zijn werk in 1990 reeds arbeidsongeschikt was dan wel zijn ongeschiktheid binnen een half jaar was te verwachten. Hij heeft er op gewezen dat hij in dienst van de scholengemeenschap is gekomen na een medische aanstellingskeuring, dat hij wegens kaakproblemen in 1991 is uitgevallen en dat eerst nadien psychische complicaties zijn ontstaan. Appellant heeft verzocht te bepalen dat hem ten onrechte na einde wachttijd WAO-uitkering is geweigerd.

3.2.

Het Uwv heeft er in hoger beroep op gewezen dat uit de medische gegevens die aan het advies van de GMD van 21 mei 1993 ten grondslag liggen blijkt dat bij appellant al langere tijd sprake was van psychische problematiek. Dat eerst later de diagnose schizofrenie is gesteld, doet daar niet aan af. Volgens het Uwv is artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WAO van toepassing.

4.1.

De Raad stelt voorop, en het Uwv heeft dit ook uitdrukkelijk erkend, dat op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk geworden dat met betrekking tot de WAO-aanspraken van appellant, voortvloeiend uit zijn ziekmelding in 1991, op een eerder moment dan
15 november 2010 is beslist. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

4.2.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6136) is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO, is vereist dat de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van de verzekering het feitelijk intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na aanvang van de verzekering kennelijk moest doen verwachten. De kennelijke verwachting ziet niet op het intreden van de arbeidsongeschiktheid, maar op de gezondheidstoestand van de betrokkene voor de aanvang van de verzekering, waarbij alsdan dient te worden beoordeeld of die gezondheidssituatie de kennelijke verwachting rechtvaardigt dat de betrokkene binnen een half jaar als gevolg van de feitelijk ingetreden arbeidsongeschiktheid uitvalt.

4.2.2.

Volgens de door het Uwv onder andere bij de toepassing van artikel 30 van de WAO gehanteerde Beleidsregels wordt de bevoegdheid tot buiten aanmerking laten van de arbeidsongeschiktheid niet uitgeoefend ten aanzien van de verzekerde die na de aanvang van de verzekering drie maanden of langer normaal arbeid heeft verricht.

4.3.

Het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat artikel 30, eerste lid van de WAO op appellant van toepassing is. Uit de voorhanden gegevens blijkt dat appellant reeds voorafgaand aan zijn indiensttreding op 12 november 1990 met aanmerkelijke psychische problematiek bekend was. In de medische kaart uit 1991 wordt vermeld dat appellant reeds in 1984 opgenomen is geweest met een psychotisch beeld en psychopathische trekken. De
arts-assistent psychiatrie van het[ziekenhuis] vermeldt in de brief van 11 februari 1992 dat de klachten in 1988 na het overlijden van de moeder van appellant zijn verergerd, en geeft als diagnose schizotypische persoonlijkheid en spreekt over een persoonlijkheidsstoornis. Hoewel appellant op 1 maart 1991 uitviel vanwege kaakproblemen blijkt uit het medisch resumé van verzekeringsgeneeskundige Y.A.J. Lamers-Eurlings en de medische kaart dat appellant toen ook volledig psychisch decompenseerde, met opname als gevolg. Dat een aanstellingskeuring heeft plaatsgevonden behoeft, zo blijkt ook uit de uitspraak van de Raad van 31 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY2276) aan dit oordeel niet af te doen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de aanstellingskeuring gelet op de daarbij volgens het formulier aan de orde zijnde onderwerpen slechts beperkt de psychische situatie in ogenschouw neemt en de keuringsarts nadien volgens de aantekeningen op de medische kaart op 17 september 1991 heeft vermeld dat appellant de vragenlijst bij de keuring niet geheel correct lijkt te hebben ingevuld. Evenmin kan uit de brieven van het[centrum] van 28 augustus 2006 en van Orbis Geestelijke Gezondheidszorg van 31 augustus 2010, waarin is weergegeven dat appellant vanaf 1996 in behandeling is, en in 2005 de diagnose schizofrenie is gesteld, worden afgeleid dat eerst toen serieuze psychische problemen zijn gaan spelen en niet reeds ten tijde hier van belang.

4.4.

In dit geval kan het bepaalde in de Beleidsregels niet tot een ander oordeel leiden. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv er met juistheid op gewezen dat uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 24 juli 1992 afdoende blijkt dat in de ruim drie maanden dat appellant heeft gewerkt al na enige tijd fricties ontstonden wegens moeilijk kunnen samenwerken, eigen koers bepalen en hij weinig zicht op de werkelijkheid had.

4.5.

Op grond van hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen moet worden geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was toepassing te geven aan artikel 30, eerste lid, van de WAO en dat niet kan worden gezegd dat van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kon worden gemaakt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juli 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) E. Heemsbergen

ew