Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
12-2521 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:818, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft met de in hoger beroep overgelegde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt waarom geen beperking ten aanzien van de aangesloten zitduur is aangenomen. Hiervan uitgaande is voorts voldoende toegelicht dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt waren voor appellante. Appellante is dan ook terecht met ingang van 24 april 2009 niet in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering aangezien zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2521 WAO

Datum uitspraak: 21 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 maart 2012, 11/2947 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 30 oktober 2013 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:2261) gedaan.

Het Uwv heeft hierop bij brief van 27 november 2013 nadere rapporten ingezonden van een bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 15 juli 2013, en van de bezwaararbeidsdeskundige, gedateerd 18 november 2013.

Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 3 februari 2014 met een nader rapport van de ook eerder door haar geraadpleegde verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van

22 januari 2014.

Het Uwv heeft hierop bij brief van 18 februari 2014 een nader rapport van de bezwaarverzekeringarts, gedateerd 12 februari 2014 ingezonden.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan bij de oordeelsvorming wordt uitgegaan, wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 30 oktober 2013.

1.2. In de tussenuitspraak werd vastgesteld dat het geschil zich in hoger beroep heeft toegespitst op de vraag of voor appellante een maximale aaneengesloten zitduur van

30

minuten had te gelden als door Offermans gesteld en, zo ja, wat de gevolgen hiervan waren voor de geschiktheid van de geduide functies.

1.3.

Gelet op hetgeen door appellante naar voren was gebracht, de bevindingen van de door haar geraadpleegde sportarts[naam] en het gemotiveerde standpunt van Offermans werd een inzichtelijke toelichting gemist van het standpunt van het Uwv waarom geen sprake was van een beperking voor zitten. Met name werd daarbij ook een concrete reactie gemist op de resultaten van een door [naam] beschreven MRI.

1.4.

Gezien de in 1.3 beschreven onvolkomenheden werd geoordeeld dat het bestreden besluit berustte op een gebrekkige motivering, zodat het was genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil werd aanleiding gezien om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet, het Uwv opdracht te geven de gesignaleerde gebreken te herstellen.

2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts op 18 november 2013 nader gerapporteerd. Hiermee zijn naar de mening van het Uwv de in genoemde tussenuitspraak door de Raad geconstateerde gebreken in het bestreden besluit hersteld en is dit besluit voldoende gemotiveerd.

3.

Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. Zij heeft daartoe verwezen naar een door haar overgelegd nader rapport van Offermans van 22 januari 2014.

4.1.

De Raad is van oordeel dat het Uwv met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 november 2013 en de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 12 februari 2014 op het nadere rapport van Offermans heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

Terecht heeft de bezwaarverzekeringsarts benadrukt dat de situatie van appellante op de datum in geding, 24 april 2009, relevant is.

4.3.

De bezwaarverzekeringsarts heeft de beschikbare medische informatie uit het dossier, waaronder de informatie van sportarts [naam], op een rij gezet en deze gerelateerd aan de datum in geding.

4.4.

Uit het door de bezwaarverzekeringsarts gegeven overzicht en de daarbij gegeven toelichting komt naar voren dat op de datum in geding geen klinische aanwijzingen bestonden voor een hernia of een radiculair syndroom als gevolg waarvan appellante problemen zou kunnen hebben met een aaneengesloten zitduur. Eerst ruim na de datum in geding, namelijk in november/december 2011 is de situatie van appellante veranderd in die zin dat zij meer klachten heeft gekregen. Pas toen is een positieve Laseque geconstateerd, die zou kunnen wijzen op een radiculair syndroom. Ook toen is overigens bij neurologische onderzoek die diagnose (nog) niet gesteld. In maart 2010 was bij een onderzoek door een revalidatiearts de Laseque beiderzijds nog negatief en waren kracht en sensibiliteit intact. Aanwijzingen voor een hernia of radiculaire prikkeling als gevolg van een uitpuilende tussenwerverschijf die op een zenuwwortel zou drukken bestonden toen nog niet. Tijdens het spreekuur op 19 januari 2011 meldde appellante weliswaar beperkingen te ervaren met lang zitten en ging zij regelmatig verzitten, maar bij lichamelijk onderzoek werden geen geobjectiveerde afwijkingen gevonden. De klachten werden geduid als zijnde aspecifiek. Ook in een verslag van een fysiotherapeut van 6 september 2011 werden de klachten nog geduid als aspecifiek. Naar de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft opgemerkt is de door Offermans in zijn nadere rapport van 22 januari 2014 benadrukte wortelcompromittering pas eind 2011 of begin 2012 vastgesteld, terwijl ook overigens uit hetgeen door Offermans is gesteld niet blijkt van geobjectiveerde afwijkingen op de datum in geding die aanleiding zouden moeten geven tot een beperking van de aaneengesloten zitduur.

4.5.

Uit hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het Uwv met de in hoger beroep overgelegde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts alsnog voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom geen beperking ten aanzien van de aangesloten zitduur is aangenomen. Hiervan uitgaande is voorts voldoende toegelicht dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt waren voor appellante. Appellante is dan ook terecht met ingang van 24 april 2009 niet in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering aangezien zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

5.

Zoals in 2.3 van de tussenuitspraak is overwogen had de rechtbank in verband in een aanpassing van de onderbouwing van het bestreden besluit in de beroepsfase al aanleiding gezien dat besluit te vernietigen, onder instandlating van de rechtsgevolgen. Uit 4.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit inderdaad in stand dienen te worden gelaten, zij het op iets andere gronden dan de rechtbank dit heeft gedaan, nu niet reeds in de beroepsfase, maar pas met de ter uitvoering van de tussenuitspraak gegeven nadere motivering, een voldoende grondslag is verkregen voor het bestreden besluit. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.

6.

De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep. Nu het Uwv het bestreden besluit pas in hoger beroep van een toereikende grondslag heeft voorzien bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.217,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.217,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD