Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
13-1502 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het dagelijks bestuur heeft vanaf de toekenning van de bijstand gedurende circa 22 jaren onafgebroken bijstand aan appellante verleend, ondanks vele heronderzoeken naar de rechtmatigheid daarvan. Daarbij heeft appellante, onder meer bij de invulling van de jaarlijkse rechtmatigheidsformulieren, steeds openheid van zaken gegeven. Het dagelijks bestuur heeft appellante aldus zeer langdurig en frequent bevestigd in de veronderstelling dat de leefvorm met haar zuster in het kader van de WWB niet was aan te merken als een gezamenlijke huishouding en daarom niet was gelijk te stellen met een situatie als die van gehuwden. Appellante heeft als gevolg daarvan geen rekening kunnen en behoeven te houden met een rauwelijkse beëindiging van de bijstand op de grond dat de samenwoning bij ongewijzigde omstandigheden voortaan wel als een gezamenlijke huishouding was aan te merken. Onder deze omstandigheden had het dagelijks bestuur aan appellante een redelijke termijn dienen te gunnen om zich in te stellen op de gevolgen van het nieuwe en gewijzigde inzicht van het dagelijks bestuur ten aanzien van de voortzetting van de bijstand en om ter zake, zo nodig of desgewenst, maatregelen te treffen. Door in dit specifieke geval in het geheel geen overbruggingsperiode in acht te nemen heeft het dagelijks bestuur in onvoldoende mate blijk gegeven van een zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming jegens appellante. Overbruggingsperiode van drie maanden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/219
NJB 2014/1107
RSV 2014/119
ABkort 2014/208
AB 2014/312 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1502 WWB

Datum uitspraak: 20 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

6 februari 2013, 12/3469 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Gemeenschappelijke regeling Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug per 1 augustus 2012 oefent het dagelijks bestuur de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug werden uitgeoefend. In het navolgende wordt onder dagelijks bestuur tevens begrepen het dagelijks bestuur van laatstgenoemde instantie.

Namens appellante heeft mr. M.S.F. Ilahibaks-Gulzar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ilahibaks-Gulzar. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Roemers.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1990 bijstand, laatstelijk ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand werd verhoogd met een toeslag van 10% in verband met het feit dat zij de woning deelde met haar zuster [naam zuster appellante] (zuster).

1.2.

Het dagelijks bestuur heeft diverse malen onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante, zonder dat dit tot de conclusie heeft geleid dat appellante met haar zuster een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Naar aanleiding van de voorgenomen wetswijziging ‘aanscherping Wet werk en bijstand’, die in werking zou treden op 1 januari 2012 heeft het dagelijks bestuur de eigen dienst (sociale dienst) opnieuw onderzoek laten doen naar de woonsituatie van appellante. De sociale dienst heeft in dat verband onder meer dossieronderzoek verricht, bankafschriften bij appellante opgevraagd en openbare registers geraadpleegd. Naar aanleiding van de bevindingen hebben twee medewerkers van de sociale dienst twee keer een gesprek met appellante gehad, te weten op 19 december 2011 en op 6 februari 2012. Daarbij heeft appellante een verklaring afgelegd over haar woonsituatie. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

24 februari 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 29 februari 2012 de bijstand van appellante te beëindigen met ingang van diezelfde dag. Het dagelijks bestuur heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

29 augustus 2012 (bestreden besluit). Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante met haar zuster een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, en derde lid, van de WWB.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zij heeft altijd openheid van zaken gegeven over haar woonsituatie en deze is voor het dagelijks bestuur, dat jaarlijks onderzoek deed naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand, nooit aanleiding geweest om de bijstand te beëindigen. Omdat haar woonsituatie niet is gewijzigd, mocht zij erop vertrouwen dat de bijstand zou worden voortgezet.

4.2.

Deze grond slaagt niet. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur de woonsituatie in het verleden niet heeft gekwalificeerd als een gezamenlijke huishouding leidt er niet toe dat die situatie later, op grond van nieuwe en gewijzigde inzichten, wel als zodanig kan worden aangemerkt met als gevolg dat de bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt beëindigd. Dat aan het gewijzigde standpunt van het dagelijks bestuur geen nieuw onderzoek, nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dan wel gewijzigde regelgeving ten grondslag liggen, doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat appellante steeds heeft voldaan aan de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting brengt niet mee dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om de bijstand te beëindigen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:21012:BY4656) kan een eventuele onjuiste beoordeling in het verleden er niet toe leiden dat ook voor de toekomst een met de wet strijdige situatie blijft voortbestaan. Voorts is in de stukken geen steun te vinden voor de stelling dat aan appellante een ondubbelzinnige toezegging zou zijn gedaan dat de bijstand bij ongewijzigde omstandigheden tot in lengte van jaren zou worden voortgezet. Ook anderszins heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur bij haar zodanig vertrouwen heeft gewekt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel aan beëindiging van de bijstand in de weg stond.

4.3.

Appellante heeft subsidiair aangevoerd dat zij met haar zuster een woningdelersrelatie had en niet samenwoonde zoals gehuwden dat plegen te doen. De rechtbank heeft in de visie van appellante ten onrechte het standpunt van het dagelijks bestuur onderschreven dat appellante en haar zuster een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB.

4.4.

Deze grond slaagt evenmin. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.

Niet in geschil is dat appellante en haar zuster ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

De onderzoeksresultaten bieden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voldoende grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur, dat in het onderhavige geval ook aan het zorgcriterium is voldaan. In dit verband komt met name betekenis toe aan het feit dat appellante en haar zuster tezamen huurder van de woning waren, de vaste lasten deelden, samen op zaterdag boodschappen deden en dat appellante door de week voor het eten van beiden zorgde en de woning schoonmaakte, terwijl haar zuster dit in het weekend voor haar rekening nam. Niet van belang is op grond van welke motieven appellante en haar zuster samenwoonden en evenmin dat hun relatie in hun eigen beleving niet gelijk is te stellen met die van gehuwden. Die relatie was niet aan te merken als een woningdelersrelatie, omdat zij veel meer deelden dan alleen de woning en de daarbij behorende lasten.

4.8.

Daarmee staat vast dat ten tijde hier van belang appellante met haar zuster een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Appellante was dan ook niet als zelfstandig subject van bijstand aan te merken, wat meebrengt dat appellante geen recht op bijstand had naar de norm voor een alleenstaande. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd om de bijstand te beëindigen.

4.9.

Appellante heeft meer subsidiair aangevoerd dat het dagelijks bestuur van die bevoegdheid niet op zorgvuldige wijze gebruik heeft gemaakt door de bijstandsverlening met onmiddellijke ingang te beëindigen.

4.10.

Deze beroepsgrond slaagt. Het dagelijks bestuur heeft vanaf de toekenning van de bijstand gedurende circa 22 jaren onafgebroken bijstand aan appellante verleend, ondanks vele heronderzoeken naar de rechtmatigheid daarvan. Daarbij heeft appellante, onder meer bij de invulling van de jaarlijkse rechtmatigheidsformulieren, steeds openheid van zaken gegeven. Het dagelijks bestuur heeft appellante aldus zeer langdurig en frequent bevestigd in de veronderstelling dat de leefvorm met haar zuster in het kader van de WWB niet was aan te merken als een gezamenlijke huishouding en daarom niet was gelijk te stellen met een situatie als die van gehuwden. Appellante heeft als gevolg daarvan geen rekening kunnen en behoeven te houden met een rauwelijkse beëindiging van de bijstand op de grond dat de samenwoning bij ongewijzigde omstandigheden voortaan wel als een gezamenlijke huishouding was aan te merken.

4.11.

Onder deze omstandigheden had het dagelijks bestuur aan appellante een redelijke termijn dienen te gunnen om zich in te stellen op de gevolgen van het nieuwe en gewijzigde inzicht van het dagelijks bestuur ten aanzien van de voortzetting van de bijstand en om ter zake, zo nodig of desgewenst, maatregelen te treffen. Door in dit specifieke geval in het geheel geen overbruggingsperiode in acht te nemen heeft het dagelijks bestuur in onvoldoende mate blijk gegeven van een zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming jegens appellante.

4.12.

Dat het dagelijks bestuur appellante al voldoende zou zijn tegemoet gekomen door af te zien van intrekking van de bijstand met terugwerkende kracht en van terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand volgt de Raad, in het licht van wat in 4.10 en 4.11 is overwogen, niet. Daarbij is van belang dat appellante zelf steeds openheid van zaken heeft gegeven en het haar niet zonder meer redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.13.

Aangezien het dagelijks bestuur de bijstand met onmiddellijke ingang heeft beëindigd komt het bestreden besluit gelet op wat onder 4.11 en 4.12 is overwogen voor vernietiging in aanmerking, voor zover het de ingangsdatum van de beëindiging betreft.

4.14.

De rechtbank heeft wat onder 4.13 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het de ingangsdatum van de beëindiging van de aan appellante verleende bijstand betreft. Aangezien in dit geval een overbruggingsperiode van drie maanden redelijk wordt geacht zal de Raad ten behoeve van een definitieve beslechting van het geschil het besluit van

29 februari 2012 herroepen, voor zover het de ingangsdatum van de beëindiging betreft en bepalen dat de bijstand wordt beëindigd met ingang van 29 mei 2012.

5.

Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.922,- .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2012 gegrond;
- vernietigt dat besluit voor zover het ziet op de datum van beëindiging van de aan appellante
verleende bijstand;
- herroept het besluit van 29 februari 2012 in zoverre, bepaalt dat de bijstand wordt beëindigd

met ingang van 29 mei 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van

het besluit van 29 augustus 2012;
- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;
- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) O.P.L. Hovens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

ew