Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
13-1067 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De volledige arbeidsverplichtingen blijven voor appellante van toepassing. Door toedoen van appellante heeft geen nadere psychologische beoordeling kunnen plaatsvinden. Het college heeft de zorgvuldige medische en arbeidskundige rapporten van de HP Groep terecht tot uitgangspunt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1067 WWB

Datum uitspraak: 20 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

15 januari 2013, 12/555 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Voor appellante is verschenen mr. Thomassen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 augustus 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Voor appellante golden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Op verzoek van het college heeft de HP Groep medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de vraag of er voor appellante beperkingen zijn ten aanzien van het verrichten van arbeid. Op 26 april 2011 heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden, waarover door bedrijfsarts dr. A. de Wolf, mede namens A. Hooghiem (arts voor werk en gezondheid), een rapport medische diagnostiek is uitgebracht. Hun conclusie is dat appellante, rekening houdend met fysieke beperkingen en met beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren, in staat moet worden geacht tot het verrichten van arbeid en dat het arbeidsperspectief voor appellante positief is. De aangegeven psychische klachten, waarvoor appellante ten tijde van het onderzoek niet onder behandeling stond, zouden nader gediagnostiseerd kunnen worden door middel van psychologisch onderzoek. Op 3 mei 2011 is een onderzoek ingesteld door de registerarbeidsdeskundige T. Simons, die een rapport arbeidskundig onderzoek heeft uitgebracht. De arbeidskundige conclusie is, samengevat, dat appellante lichte productiewerkzaamheden kan verrichten, dat zij een lange afstand tot de arbeidsmarkt heeft, dat intensieve begeleiding noodzakelijk is en dat in eerste instantie met een participatietraject moet worden gestart. De arbeidsdeskundige merkt in zijn rapport op dat een aanvullend psychologisch onderzoek kan worden overwogen, dat daaruit mogelijk blokkerende elementen naar voren komen, maar dat hij niet verwacht dat dit zijn arbeidskundige visie zal wijzigen.

1.3.

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het college appellante meegedeeld dat de volledige arbeidsverplichtingen op haar van toepassing blijven, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met haar beperkingen. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, mede onder verwijzing naar een brief van psychiater dr. T. Habib, waarin deze vermeldt dat appellante wegens psychische klachten niet in staat is om te werken.

1.4.

Het college heeft, hangende de behandeling van dat bezwaar, aan de HP Groep gevraagd aanvullend advies uit te brengen over de psychische klachten van appellante. De HP Groep heeft het college bericht dat appellante twee keer schriftelijk is uitgenodigd voor psychologisch onderzoek maar dat appellante zonder bericht aan deze uitnodigingen geen gevolg heeft gegeven en dat ook twee keer zonder resultaat is geprobeerd telefonisch contact met appellante te krijgen. Bij besluit van 17 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college overwogen dat, omdat appellante niet heeft meegewerkt aan het laten verrichten van nader onderzoek, de rapporten van de HP Groep maatgevend zijn.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft, evenals in bezwaar en beroep, betwist dat zij kan werken. De psychische toestand van appellante is niet adequaat beoordeeld. Het lag in de rede om die toestand door een deskundige te laten beoordelen. Dit is niet gebeurd. Haar behandelend psychiater acht, zo blijkt uit diens in de loop van deze procedure overgelegde brieven, appellante niet in staat om te werken. Appellante heeft niet haar medewerking geweigerd aan een nader onderzoek. Zij betwist dat zij daarvoor deugdelijk is opgeroepen en verzoekt de Raad alsnog een onderzoek in te stellen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB kan het college in individuele gevallen, indien daarvoor dringende redenen zijn, tijdelijk ontheffing verlenen van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgenomen verplichtingen.

4.2.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het college, gelet op de medische en arbeidskundige adviezen, op goede gronden geen aanleiding heeft gezien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van een ontheffing aan appellante van een of meer van de arbeidsverplichtingen.

4.3

Evenals de rechtbank, en anders dan appellante, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

4.3.1.

De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat als gevolg van de houding van appellante in de bezwaarfase geen nader onderzoek kon worden verricht naar de psychische klachten van appellante. Zij heeft niet gereageerd op de uitnodigingen van de HP Groep voor een psychologisch onderzoek en op de pogingen van de HP Groep om telefonisch contact met haar te krijgen. Appellante heeft in ieder geval een van de uitnodigingen ontvangen - naar zij stelt, te laat - maar ook naar aanleiding van die uitnodiging heeft zij geen contact met de HP Groep opgenomen. Appellante is niet zelf bij de hoorzitting van

19 december 2011 aanwezig geweest. Tegen de achtergrond van het voorgaande, hoefde het college het bij die gelegenheid door de gemachtigde van appellante gedane voorstel om haar opnieuw voor een onderzoek uit te nodigen, niet te volgen. Het niet doorgaan van een psychologisch consult heeft ook meegebracht dat aan appellante niet kon worden gevraagd om toestemming voor het inwinnen van inlichtingen bij dr. Habib.

4.3.2.

Nu door toedoen van appellante geen nadere psychologische beoordeling heeft kunnen plaatsvinden, heeft het college de rapporten van de HP Groep terecht tot uitgangspunt genomen.

4.3.3.

Het college heeft zijn besluitvorming op die rapporten mogen baseren. De uitgebrachte rapporten geven in de eerste plaats blijk van een zorgvuldig onderzoek. Het medisch rapport is gebaseerd op de anamnese en een lichamelijk onderzoek van appellante. Het arbeidskundig rapport is gebaseerd op het medisch rapport en een (nader) gesprek met appellante. Verder zijn de rapporten, ook in samenhang bezien, consistent. Er zijn zowel lichamelijke als psychische beperkingen vastgesteld, maar de adviseurs hebben daarin geen reden gezien om appellante arbeidsongeschikt te achten. Wat betreft de psychische klachten is in dit verband van belang dat is vastgesteld dat appellante voor die klachten ten tijde in geding niet onder behandeling was. De bij appellante vastgestelde beperkingen hebben geleid tot de conclusie dat appellante stapsgewijs, met begeleiding, kan worden toegeleid naar reguliere arbeid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brieven van dr. Habib niet tot een andere conclusie leiden. Deze zijn daarvoor te summier. Met name is het standpunt van dr. Habib dat appellante destijds niet in staat was om te werken onvoldoende onderbouwd. De Raad heeft, gelet op het voorgaande, geen aanleiding gezien zelf een deskundige te benoemen voor de beantwoording van de vraag of appellante ten tijde hier van belang medisch gezien in staat was om aan de in artikel 9, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichtingen te voldoen.

4.4.

De conclusie is dat het bestreden besluit op de bevindingen van het medisch en arbeidskundig onderzoek van de HG Groep mocht worden gebaseerd.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M. Sahin

HD