Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
12-6092 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en bruto-terugvordering bijstand. Bezit onroerend goed in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6092 WWB, 12/6093 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

1 oktober 2012, 12/761 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/1204 WWB en 13/1205, plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Anik. Als tolk is verschenen E. Battaloglu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.H. de Vos. In de zaken 13/1204 WWB en 13/1205 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.Appellanten ontvingen van 20 december 2006 tot en met 12 augustus 2007 en van

12 oktober 2010 tot en met 23 augustus 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van aan appellanten verleende bijstand heeft het college aan het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzocht een onderzoek in te stellen naar vermogen van appellanten in Turkije. Het onderzoek is verricht door medewerkers van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Turkije. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapportage van 21 april 2011 met bijlagen, waaronder een belastingaangifte van onroerend goed ten name van appellant en een taxatierapport met betrekking tot een op naam van appellant geregistreerde woning in de gemeente [gemeente] (Turkije). Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen zijn appellanten op 21 juni 2011 gehoord door een klantmanager van de afdeling sociale zaken van de gemeente Amersfoort.

1.3. Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft het college de bijstand van appellanten over de periodes van 20 december 2006 tot en met 12 augustus 2007 en van 12 oktober 2010 tot en met 23 augustus 2011 ingetrokken, met ingang van 24 augustus 2011 beëindigd en de gemaakte kosten van bijstand over deze periodes van appellanten teruggevorderd tot een brutobedrag van € 13.648,54. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan melding te maken aan het college, ten tijde van de bijstandsverlening beschikten over vermogen in de vorm van onroerend goed in Turkije met een waarde die de grens van het vrij te laten vermogen te boven ging.

1.4. Op 2 september 2011 is namens appellanten bezwaar gemaakt tegen het besluit van

24 augustus 2011. Op 21 september 2011 zijn appellanten in het bijzijn van een tolk nader gehoord door een sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort en hebben zij beiden een door hen na voorlezing ondertekende verklaring afgelegd. Bij besluit van

26 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

24 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat geen aanleiding bestaat de juistheid van het uitgebrachte taxatierapport in twijfel te trekken, dat appellanten niet hebben aangetoond dat zij de eigendom van de betreffende woning op 28 juli 2011 aan hun zoon [naam zoon appellanten] (zoon) hebben overgedragen en dat zij de wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het bezit van onroerend goed in Turkije.

3.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij hebben zij, samengevat, aangevoerd dat de waarde van het getaxeerde pand in Turkije de vermogensgrens niet heeft overschreden, dat met de overgelegde “tapu senedi” de eigendomsoverdracht aan hun zoon op 28 juli 2011 voldoende is aangetoond en dat zij erop mochten vertrouwen dat het inlichtingenformulier juist is ingevuld nu dit is gebeurd in het bijzijn van een medewerker van de afdeling sociale zaken van de gemeente.

3.2.

Bij brief van 26 maart 2013 hebben appellanten een “resmi senet” met betrekking tot de verkoop aan hun zoon van het onder 1.2 bedoelde onroerend goed in het geding gebracht.

3.3.

Op 14 maart 2014 hebben appellanten nog een brief met bijlagen aan de Raad gezonden. Zoals desgevraagd ter zitting nader toegelicht, is de strekking daarvan dat appellant in het geheel nooit eigenaar is geweest van onroerend goed in Turkije.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periodes lopen van 20 december 2006 tot en met 12 augustus 2007 en van 12 oktober 2010 tot en met 24 augustus 2011(de datum van het besluit tot intrekking en beëindiging van de bijstand).

4.2.

De Raad stelt voorop dat, in het licht van de eerder door appellanten betrokken stellingen, afgelegde verklaringen en (gestelde) verrichte rechtshandelingen, het nadere standpunt van appellanten als neergelegd in de onder 3.3 bedoelde brief met bijlagen niet kan worden gevolgd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het rapport van de door de medewerkers van de Nederlandse Ambassade ingeschakelde taxateur terecht als uitgangspunt is genomen voor de vaststelling van de waarde van de woning van appellanten in de gemeente [gemeente]. Geen aanleiding bestaat deze taxateur niet voor deskundig te houden. Deze deskundige heeft de waarde van de woning in april 2011 getaxeerd op € 72.000,-. Appellanten hebben het rapport slechts in algemene bewoordingen bestreden en hebben ervan afgezien hun standpunt te onderbouwen met een rapport van een andere ter zake deskundige. Opmerking verdient nog dat anders dan appellanten hebben betoogd bij de taxatie wel degelijk de omgeving en de staat van de woning zijn betrokken.

4.4.

Appellanten hebben ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de betreffende woning de grens van het vrij te laten vermogen ten tijde in geding niet overschreed. De Raad volstaat hier met erop te wijzen dat appellanten op 21 juni 2011 tegenover de klantmanager hebben verklaard dat zij deze woning in 1990 hebben laten bouwen van hun indertijd met werken in Nederland bijeen gespaarde geld (circa

fl. 45.000,-) en dat appellant de waarde van de woning toen heeft geschat op

€ 35.000,-. Uit de door de medewerker van de Nederlandse Ambassade bij de gemeente [gemeente] ingewonnen informatie blijkt voorts dat de belastingwaarde met betrekking tot het in 1990 verworven pand in 2011 € 35.610,19 bedroeg. Daarbij zijn verder buiten beschouwing gelaten een aantal andere op naam van appellant geregistreerde stukken (land)bouwgrond met enkele daarop geplaatste gebouwtjes.

4.5.

Appellanten hebben onder verwijzing naar een nader overgelegd stuk (“resmi senet”) betoogd dat zij hun woning op 28 juli 2011 in eigendom aan hun zoon hebben overgedragen. Deze overdracht is door het college ter zitting niet langer ten gronde weersproken. Het college is zich echter op het standpunt blijven stellen dat niet in toereikende mate inzicht is verschaft in de financiële transacties rond de overdracht van de woning.

4.6.

Ook de Raad heeft met betrekking tot de bedragen die gemoeid zijn met de gestelde eigendomsoverdracht van de woning in Turkije onvoldoende duidelijkheid verkregen. Allereerst valt op dat daaromtrent door appellanten wisselend is verklaard. Zo heeft appellant op 21 september 2011tegenover de sociaal rechercheur verklaard “dat zij de woning niet aan zijn zoon hebben verkocht maar geschonken omdat deze straks gaat trouwen”. Later heeft hij verklaard dat de woning voor een bedrag van afgerond € 6.000,- aan de zoon is verkocht, maar dat dit bedrag is verrekend met schulden die zij inmiddels aan hun zoon zouden hebben in verband met bij hem afgesloten leningen voor de aanschaf van goederen die zij niet uit hun bijstandsuitkering konden voldoen. Dit hebben appellanten overigens desgevraagd niet met bankafschriften of andere objectieve gegevens kunnen onderbouwen. Voorts kan uit de later overgelegde “resmi senet”, die overigens een andere datum vermeldt dan 28 juli 2011, weer worden afgeleid dat bij de verkoop van de woning aan hun zoon deze het daarvoor verschuldigde bedrag van afgerond € 6.000,- contant heeft betaald en dat dit bedrag door appellanten in ontvangst is genomen.

4.7.

Ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde beroepsgrond dat appellanten niet zelf hun inlichtingenformulieren hebben ingevuld, volstaat de Raad met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6165). Daaruit volgt dat appellanten hoe dan ook verantwoordelijk blijven voor het verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, ook al laten zij zich bijstaan door derden bij het invullen van door hen ondertekende inlichtingenformulieren. De gevolgen van gestelde onjuiste antwoorden op inlichtingen- of herzonderzoeksformulieren moeten voor rekening en risico van de betrokkenen worden gelaten.

4.8.

Uit wat in 4.5 en 4.6 is overwogen vloeit voort dat het college kan worden gevolgd in zijn standpunt dat appellanten onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over de financiële transacties rond de overdracht van de woning op 28 juli 2011. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand over de periode van 28 juli 2011 tot en met 24 augustus 2011 niet worden vastgesteld. Het bestreden besluit is wat betreft de grondslag van de intrekking van de bijstand over deze periode in zoverre op een onjuiste grondslag en derhalve niet op een voldoende motivering gebaseerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.9.

De Raad ziet tevens aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Het college was bevoegd over te gaan tot intrekking en beëindiging van de bijstand van appellanten. Tegen de terugvordering zijn geen afzonderlijke gronden ingediend, zodat deze verder buiten bespreking blijft.

5.

De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 januari 2012 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellanten over de periode van

28 juli 2011 tot en met 24 augustus 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 januari 2012 in stand

blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het door hen in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

JvC