Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
12-5195 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing arbeidsverplichting voor maximaal 20 uur per week. Sprake van nieuwe klachten die leiden tot meer beperkingen. Niet begrijpelijk waarom het college bij de thans bestreden besluitvorming appellant niet wederom geheel heeft ontheven van de verplichtingen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat appellant met inachtneming van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen niet in staat zou zijn deel te nemen aan een re-integratietraject voor maximaal 20 uur per week. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts is uitgegaan van een onjuiste medische situatie dat hij op grond daarvan de beperkingen van appellant onjuist heeft vastgesteld en dat appellant met inachtneming daarvan niet zou kunnen meewerken aan een dergelijk traject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5195 WWB

Datum uitspraak: 20 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 augustus 2012, 12/479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Tali, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tali. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is geruime tijd bekend met psychische klachten, een neurologische aandoening en rug- en schouderklachten. In verband met deze klachten en de daaruit voortkomende beperkingen heeft het college appellant voor de periode van 11 september 2009 tot 11 februari 2011 ontheven van de verplichtingen, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Bij eerdere beslissingen op bezwaar van 5 januari 2010 en augustus 2010 heeft het college appellant wegens onzorgvuldig tot stand gekomen medische adviezen voor diezelfde periode met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB tevens ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

1.2.

In september 2011 heeft opnieuw een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage richtinggevend re-integratieadvies van 20 september 2011 (rapportage). In deze rapportage heeft de verzekeringsarts op basis van dossieronderzoek, eigen onderzoek en ingewonnen informatie bij de behandelaars van appellant vermeld dat appellant eerder in september 2009 en februari 2010 belastbaar is geacht voor 20 uur per week met beperkingen. Appellant heeft echter sindsdien nieuwe klachten ontwikkeld die leiden tot meer beperkingen. De verzekeringsarts heeft deze beperkingen nader omschreven in zijn rapportage. Volgens de verzekeringsarts zijn er geen medische argumenten om uit te gaan van een verdergaande urenbeperking.

De arbeidsdeskundige acht perspectief op werk realistisch. Appellant zou kunnen worden aangemeld bij het “Traject SW Ja/Nee”, omdat het vermoeden bestaat dat werken via de sociale werkvoorziening voor hem het meest passend zou kunnen zijn. Gedurende dit traject kan worden bezien of appellant tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening behoort of dat een ander re-integratietraject meer geschikt is.

1.3.

Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college bij besluit van

21 september 2011 appellant in zoverre ontheffing verleend van de verplichtingen, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, dat deze verplichtingen voor hem gelden voor maximaal 20 uur per week.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij in het geheel niet in staat is tot het verrichten van enige arbeid dan wel deel te nemen aan een door het college aangeboden voorziening. Hij wenst een volledige ontheffing van alle verplichtingen, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ontheffing van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB

4.2.

Vast staat dat appellant gedurende de periode van 11 september 2009 tot 11 februari 2011 op medische gronden was ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Met inachtneming hiervan en nu de verzekeringsarts in de rapportage van 20 september 2011 heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van nieuwe klachten, leidend tot meer beperkingen, is niet begrijpelijk waarom het college bij de thans bestreden besluitvorming appellant niet wederom geheel heeft ontheven van de in deze bepaling omschreven verplichtingen.

Ontheffing van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB

4.3.

Vast staat dat appellant in de periode van 11 september 2009 tot 11 februari 2011 slechts zorgvuldigheidshalve en dus uitdrukkelijk niet op medische gronden was ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Geen grond bestaat voor het oordeel dat appellant met inachtneming van de door de verzekeringsarts in de rapportage van 20 september 2011 vastgestelde beperkingen niet in staat zou zijn deel te nemen aan een re-integratietraject voor maximaal 20 uur per week. Appellant heeft weliswaar een veelheid aan medische informatie ingezonden, maar hij heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts is uitgegaan van een onjuiste medische situatie van appellant, dat hij op grond daarvan de beperkingen van appellant onjuist heeft vastgesteld en dat appellant met inachtneming daarvan niet zou kunnen meewerken aan een dergelijk traject.

4.4.

De rechtbank heeft wat onder 4.2 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover daarbij de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voor 20 uur per week is opgelegd. De Raad ziet voorts aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Omdat aan het besluit van 21 september 2011 hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en dit gebrek, mede gelet op de aard van het besluit en het tijdsverloop, niet kan worden hersteld, zal de Raad dit besluit in zoverre herroepen.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand. Tevens dient het college de reiskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 14,50 te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 december 2011, voor zover het college geweigerd heeft

appellant volledig te ontheffen van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en

onder a, van de WWB en herroept in zoverre tevens het besluit van 21 september 2011;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 december

2011;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.936,50;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.J. van Gendt

HD