Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
12-6257 Wajong
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2012:1108, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6257 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

12 oktober 2012, 12/341 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 mei 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft het Uwv de aanvraag van appellante, geboren

[in] 1973, om een uitkering op grond van de voormalige Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) aangemerkt als een verzoek om herziening van het ingevolge die wet jegens haar genomen besluit van

14 juli 2003 en dit verzoek afgewezen. Bij laatstgenoemd besluit is aan appellante geweigerd per 1 januari 1994 een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen, op de grond dat appellante niet arbeidsongeschikt was op de dag dat zij 17 jaar werd, noch tenminste zes maanden voorafgaande aan de na haar 17de verjaardag ingetreden arbeidsongeschiktheid studerende was. Het tegen het besluit van 28 oktober 2011 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 9 februari 2012 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv met toepassing van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot afwijzing van het verzoek om herziening heeft kunnen komen, nu appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Het beroep is daarop ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte haar niet in de gelegenheid heeft gesteld om aanvullende verklaringen in te dienen over haar gezondheidstoestand. Tevens heeft zij brieven ingezonden van de haar rond 1990 behandeld hebbende artsen, een bericht van 2 december 2012 van haar huisarts L.A.B. Wilsoe en een rapport van 11 juli 2013 van de adviserend geneeskundige O. Mahadew dat is opgemaakt in het kader van een onderzoek op grond van de Wet Werk en Bijstand.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 31 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BX6233 en 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674 aangevoerd dat de rechtbank terecht appellante niet in de gelegenheid heeft gesteld nadere gegevens in het geding te brengen, nu deze door de rechtbank toch niet in de beoordeling betrokken kunnen worden. Voor de in hoger beroep overgelegde gegevens geldt, wat daarvan inhoudelijk ook zij, aldus het Uwv, dat deze niet door de Raad in de beoordeling kunnen worden betrokken.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Gegeven het door de rechtbank geschetste beoordelingskader als bedoeld in 2 ziet ook de Raad geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden. Appellante heeft immers aan haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag gelegd.

4.2.

De Raad laat verder onbesproken de in beroep bij de rechtbank en in hoger beroep door appellante overgelegde stukken. In het kader van de rechterlijke toetsing van een met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluit dient volgens zijn vaste rechtspraak

- naast de door het Uwv genoemde uitspraken ook zijn uitspraak van 14 september 2007,

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594 - met nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dan wel stukken die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren zijn gekomen of zijn overgelegd, geen rekening te worden gehouden.

4.3.

Naar in het hiervoor overwogene ligt besloten treft de beroepsgrond van appellante dat de rechtbank haar niet in de gelegenheid heeft gesteld nadere stukken in het geding te brengen geen doel. De Raad heeft ook geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek onder verwijzing naar in dit geval het besluit van 14 juli 2003, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel. Van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel, zoals gesteld, is geen sprake.

4.4.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.3. leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) E. Heemsbergen

HD