Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
12-3775 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag. Vaststellingsovereenkomst (VO) Het college heeft niet volledig aan de (...) verplichtingen voldaan. Onder de gegeven omstandigheden kon het college er niet van uitgaan dat de ondertekening door appellante was gericht op beëindiging van haar dienstverband volgens de in de VO neergelegde afspraken. Dat betekent dat tussen partijen geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat het college niet bevoegd was om appellante ontslag te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3775 AW

Datum uitspraak: 23 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 mei 2012, 11/44 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van gedeputeerde staten van Drenthe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Kootstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kootstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten, D. van Dijken en M.W. Veenstra.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is met ingang van 1 januari 1999 in dienst getreden bij de provincie [naam provincie] Laatstelijk vervulde zij de functie van [naam functie A.].

1.2. Vanaf juli 2006 heeft appellante wegens psychische en lichamelijke klachten die mede verband hielden met het werk geruime tijd haar werk niet kunnen verrichten. Medio 2008 is zij gere-integreerd bij het team [naam team 1.]) van de afdeling [naam afdeling]. Conflicten over de taakverdeling binnen [naam team 1.] leidden tot spanningsklachten en nieuwe uitval van appellante. Dit herhaalde zich toen zij in maart 2009 terugkeerde bij het team [naam team 1.]. In juli 2009 heeft sociaal juridisch medewerker W van de AbvaKabo namens appellante het college gesommeerd haar de taken toe te delen die zij voorheen uitvoerde en haar een veilige werkomgeving te bieden. Daarop heeft mr. Boiten (B) aan H - die de zaak van De W had overgenomen - meegedeeld dat de ontstane situatie volgens het college voornamelijk is te wijten aan opstelling, houding en gedrag van appellante. In het najaar van 2009 zijn B en H onderhandelingen begonnen over een mogelijke minnelijke beëindiging van het dienstverband. Dit heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst (VO) die door appellante op 16 december 2009 en namens het college op 21 december 2009 is ondertekend.

1.3. Bij besluit van 13 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 december 2010 (bestreden besluit), heeft het college appellante met ingang van 1 december 2010 onder toepassing van artikel B.9, sub p, van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden Provincies eervol ontslag verleend met verwijzing naar de in december 2009 met haar gemaakte afspraken.

1.4. Appellante heeft zich in januari 2010 met ingang van 2 december 2009 ziek gemeld. Met ingang van 30 november 2011 is haar een loongerelateerde arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, uitgaande van 100% arbeidsongeschiktheid.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1.

Afspraken tussen partijen over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband worden volgens vaste rechtspraak (CRvB 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het bestuursorgaan geldt maar ook voor de ambtenaar. Dit kan onder meer anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd.

3.2.

Voor de beantwoording van de vraag of appellante is gebonden aan de VO is in de eerste plaats van belang of tussen het college en haar wilsovereenstemming is bereikt over de beëindiging van haar dienstverband bij de provincie [naam provincie]

3.3.

In beginsel mag een werkgever erop vertrouwen dat een werknemer door zijn ondertekening van een VO ermee instemt dat zijn dienstverband op basis van de afspraken in de VO zal worden beëindigd. De werkgever moet zich er wel van vergewissen of met een redelijke mate van zekerheid vaststaat dat de werknemer beseft dat zijn instemming wordt gevraagd met beëindiging van het dienstverband en of hij de mogelijke consequenties van zijn instemming voor zijn rechtspositie overziet. Dat betekent dat van de werkgever mag worden verwacht dat die zijn werknemer omtrent diens rechtspositie volledige en juiste informatie verschaft.

3.4.

In dit verband komt over de totstandkoming van de VO uit de gedingstukken het volgende naar voren.

3.4.1.

Belangrijk onderdeel van de aan appellante voorgelegde VO is dat zij haar aanspraken prijsgeeft op een nawettelijke uitkering, die zij normaliter zou ontvangen bij een ontslag op andere gronden. In ruil daarvoor zou het ontslag pas op 1 december 2010 ingaan. Verder zouden partijen een gezamenlijke mededeling doen over het vertrek van appellante.

3.4.2.

Nadat H op 1 december 2009 voorstellen had gedaan tot wijziging van de voorgestelde VO, is appellante de volgende dag buitengewoon verlof verleend tot aan de ondertekening van de VO. Zij heeft kenbaar gemaakt dat zij hier grote moeite mee heeft en heeft vragen gesteld over het volgen van een cursus, het inzien van haar personeelsdossier en haar afscheid. Naar aanleiding van de bijgestelde versie van de VO heeft appellante het college bericht dat zij daarin voorstellen mist voor de mededeling aan de medewerkers en over de drie door haar aangekaarte onderwerpen. In reactie hierop heeft B aan H laten weten dat het geduld van de provincie nu ernstig op de proef wordt gesteld, dat eenzijdige stappen worden overwogen, dat de provincie de overeenkomst graag per ommegaande getekend retour ziet en dat pas over de nadere vraagpunten kan worden gesproken als appellante zelf een duidelijk gebaar maakt. H heeft B op 15 december 2009 laten weten dat het laatste voorstel bij appellante nog een aantal vragen oproept die zij zo goed mogelijk heeft beantwoord en dat appellante op 16 december 2009 de overeenkomst komt tekenen, dan wel afziet van de overeenkomst.

3.4.3.

Op 16 december 2009 heeft appellante per e-mail aan B meegedeeld dat het gebaar waarom hij vroeg per post naar hem onderweg is en dat het haar intentie is op zo kort mogelijke termijn tot een VO te komen. In bedoelde brief van dezelfde datum heeft zij de gang van zaken rond de VO besproken, gesteld dat er nog geen akkoord is en gemeld dat zij nog steeds geen antwoord van H heeft op haar nog openstaande vragen. Aan het slot van de brief concludeert appellante dat zij nog steeds streeft naar een VO, dat zij wil weten waarvoor zij tekent en wat de consequenties zijn van de VO en dat zij tot een spoedige afronding wil komen omdat zij intussen door alle stress nu helemaal ‘aan het eind van haar Latijn’ is. Zij stuurt de VO op met handtekening als teken dat zij serieus is, op voorwaarde dat ook overeenstemming wordt bereikt over de mededeling aan haar collega’s. Onderaan de overeenkomst heeft zij vermeld: ‘akkoord, mits ook overeenstemming wordt bereikt over de gezamenlijke mededeling aan de collega’s van [naam afdeling]’.

3.5.

Vaststaat dat appellante voldoende tijd had om na te denken over het haar gedane aanbod en dat zij juridische bijstand had van H tijdens het onderhandelingsproces. Daartegenover staat dat het college op grond van de e-mail- en briefwisseling tussen B en het college enerzijds en H en appellante anderzijds ermee bekend was dat op het moment dat B bij H aandrong op spoedige ondertekening van de VO en vroeg om een ‘gebaar’ van appellante, bij haar nog vragen leefden over de VO, die ook door H nog niet volledig waren beantwoord, en dat zij ervan uitging dat de VO nog niet rond was. De twijfels van appellante blijken ook uit de mededeling van H dat appellante mogelijk van de VO afziet. Op 16 december 2009 blijkt appellante nog steeds op twee gedachten te hinken: zij wil een VO, maar wil ook weten wat de gevolgen daarvan zijn en wil nog een voorwaarde stellen. Ook laat zij weten dat haar psychische gesteldheid niet goed is. Het college heeft hierover geen contact meer opgenomen met appellante, maar is overgegaan tot het tekenen van de VO en de voorbereiding van een ontslagbesluit.

3.6.

Hetgeen is overwogen onder 3.4 en 3.5 leidt tot het oordeel dat het college niet volledig aan de onder 3.3 vermelde verplichtingen heeft voldaan. Onder de gegeven omstandigheden kon het college er niet van uitgaan dat de ondertekening door appellante was gericht op beëindiging van haar dienstverband volgens de in de VO neergelegde afspraken. Dat betekent dat tussen partijen geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat het college niet bevoegd was om appellante ontslag te verlenen.

3.7.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 13 juli 2010 te herroepen.

4.

Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de door appellante gemaakte kosten. Deze worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 december 2010;

- herroept het besluit van 13 juli 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

8 december 2010;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 382,-. vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD