Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1726

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
12-1169 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Geen onzorgvuldig medisch onderzoek. De beroepsgrond dat de psychische ziekte is miskend slaagt niet. Geen klachten geuit tijdens onderzoek. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1169 WIA

Datum uitspraak: 21 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad

van 13 januari 2012, 10/1766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.W.C. Bonnet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 april 2014. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Bonnet. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker bij [werkgever] toen hij op 24 juni 2008 voor dat werk uitviel wegens diverse lichamelijke klachten. In het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is hij op 20 april 2010 onderzocht door een verzekeringsarts, die heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van een kleine laterale hernia L3-L4 en verdenking op een mediaal meniscusletsel op grond waarvan appellant beperkingen ondervindt. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 april 2010. Hiervan uitgaande heeft een arbeidsdeskundige met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) drie functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 23 juni 2010 aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, onder de overweging dat hij op 22 juni 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van dossierstudie, het bijwonen van de hoorzitting met aansluitend eigen medisch onderzoek geconcludeerd dat er geen medische redenen zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. De bezwaararbeidsdeskundige heeft eveneens geen aanleiding gezien om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Bij besluit van 8 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2010 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank was van oordeel dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding gaven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding van

22 juni 2010. Nadat een bezwaararbeidsdeskundige in beroep nogmaals de eerder geselecteerde functies had beoordeeld en daarbij twee functies ongeschikt heeft geacht en twee nieuwe functies heeft geselecteerd, heeft de rechtbank ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.

Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte van oordeel dat zijn medische beperkingen niet zijn onderschat en heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien om de voor hem geschikt geachte functies niet geschikt te achten. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat hij in de bezwaarfase wel degelijk melding heeft gemaakt van psychische klachten, maar deze zijn

- omdat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst - afgedaan als klachten van hoofdpijn en slapeloosheid. Hij heeft daartoe gewezen op het door hem in de beroepsfase ingebrachte rapport van zijn behandelend psycholoog, K. Loukili, van 10 oktober 2011. Verder heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij niet in staat is om de drie voorbeeldfuncties te verrichten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Blijkens de rapporten van de verzekeringsartsen is appellant steeds, zowel lichamelijk als psychisch onderzocht en was het bekend dat hij als medicatie Amitryptiline en Diazepam gebruikte. Vanwege de lichamelijke klachten zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken 3, 4 en 5 van de FML. Er zijn geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek gevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en appellant aansluitend op het spreekuur gezien. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens op grond van zijn onderzoeksbevindingen de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid onderschreven. Er is geen aanleiding om dit onderzoek onzorgvuldig te achten of te oordelen dat de uitkomsten van het onderzoek ontoereikend zijn gemotiveerd.

4.2.

De beroepsgrond van appellant dat zijn psychische ziekte is miskend, omdat zijn klachten van hoofdpijn en slapeloosheid niet als psychische klachten zijn herkend, slaagt niet. Noch op het spreekuur van de verzekeringsarts van 17 maart 2010, noch op de hoorzitting van

13 augustus 2010, noch op het daarop aansluitende spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant klachten geuit van hoofdpijn en slapeloosheid. Er is dan ook geen reden om de rechtbank niet in haar oordeel te volgen dat uit het rapport van de behandelend psycholoog

K. Loukili van 10 oktober 2011 niet kan worden afgeleid dat bij appellant op de datum hier in geding sprake was van een depressie, dan wel dat bij appellant vanwege zijn psychische klachten beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De Raad wijst nog op de gemotiveerde reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 19 oktober 2011 op het rapport van de psycholoog Loukili.

4.3.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de datum in geding sprake was van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn opgenomen. De voorhanden zijnde medische informatie biedt daarvoor geen grond. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML wordt met de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen van 16 juni 2010, 18 augustus 2010 en 26 september 2011 voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht.

5.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) E. Heemsbergen

HD