Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
10-5406 WAO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De bestreden besluiten zijn niet zorgvuldig voorbereid. Het Uwv heeft bij de voorbereiding van de besluiten geen aandacht geschonken aan het belang van het Unierecht voor de besluitvorming en beslissingen in de zaken. Daarbij gaat het om de wijze van berekening van de uitkering (pro rata en/of nationaalrechtelijk) en de vaststelling van het maatmaninkomen en de hoogte van het dagloon. De Raad is van oordeel dat aan de bestreden besluiten een gebrek kleeft. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in de besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van

30 augustus 2010, 09/1904 en 28 februari 2011, 10/2660 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Cornelis, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelis. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Bij brief van 13 juli 2012 heeft de Raad aan het Uwv een aantal vragen voorgelegd.

Deze vragen zijn door het Uwv beantwoord bij brieven van 5 maart en 24 maart 2014. Op beide brieven is door de gemachtigde van appellante schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

Zaak 10/5406

1.1. Appellante, geboren op 24 oktober 1977, is werkzaam geweest als assistent in opleiding aan de TU Twente voor 38 uur per week. Op 4 februari 2003 is zij uitgevallen, waarna aan haar met ingang van 3 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Na afronding van het promotieonderzoek is appellante op 6 juli 2006 gepromoveerd. De WAO-uitkering is per 1 augustus 2006 ingetrokken. Met ingang van deze datum is appellante in dienst getreden van de Copenhagen Business School in Denemarken. Op 23 september 2007 is appellante (weer) uitgevallen.

1.2 Op 27 maart 2008 heeft appellante een aanvraag om een WAO-uitkering ingediend wegens sedert 23 september 2007 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Verzekeringsarts

B.D. van Latenstein spreekt in een rapport van 23 oktober 2008 van een uitval “met hetzelfde ziektebeeld”. Er is een Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld. Arbeidsdeskundige

H. Olfers concludeert in een rapport van 26 november 2008 tot een resterende verdiencapaciteit van nihil. Appellante wordt ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 12 januari 2009 is aan appellante, onder toepassing van artikel 43a van de WAO, per 21 oktober 2007 een WAO-uitkering toegekend maar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Als maatman is aangemerkt de assistent in opleiding, de functie die appellante bekleedde aan de TU Twente voorafgaande aan de eerste toekenning van de WAO-uitkering in 2004. Verder is vermeld dat de uitkering tot 1 mei 2008 niet wordt uitbetaald wegens tot die datum genoten inkomsten uit een Deens dienstverband.

2.1. In bezwaar heeft appellante onder meer aangevoerd dat de gekozen maatman onjuist is. Appellante is op 6 juli 2006 gepromoveerd en is laatstelijk als postdoc werkzaam geweest in Denemarken. Vanuit die functie is zij uitgevallen. De bezwaararbeidsdeskundige volgt in een rapport van 23 maart 2009 de gronden van appellante in zoverre dat als gevolg van verworven bekwaamheden voor de bepaling van de maatman aansluiting wordt gezocht bij de gepromoveerde docent/wetenschappelijk medewerker.

2.2. Bij besluit op bezwaar van 4 juni 2009 (bestreden besluit 1) zijn de bezwaren gegrond verklaard, onder meer op de grond dat er sprake is van een maatmanwisseling en is het maatmaninkomen aangepast. Er wordt een kostenvergoeding toegekend van € 644,-.

3.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat de aanpassing van de maatman onvoldoende is. Ten onrechte is niet gekeken naar de aard van de werkzaamheden die appellante feitelijk verrichtte ten tijde van haar uitval en naar de beloning die zij daarvoor kreeg.

3.2. Appellante heeft een beschrijving van haar functie in Denemarken en haar inkomensgegevens ingezonden. De bezwaararbeidsdeskundige stelt zich echter op het standpunt dat buitenlandse inkomsten niet geschikt zijn om de mate van arbeidsongeschiktheid in Nederland te bepalen.

3.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 juni 2009 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank zijn door appellante onvoldoende feitelijke en concrete aanknopingspunten aangedragen die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de door het Uwv gekozen gepromoveerde universitair docent/wetenschappelijk medewerker onvoldoende geschikt is als maatman.

Zaak 11/2316

4.1. Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft het Uwv per 1 september 2009 op grond van artikel 44 van de WAO een korting toegepast op de uitkering van appellante als ware zij 65-80% arbeidsongeschikt. Aan dit besluit is ten gronde gelegd dat per genoemde datum appellante (weer) tegen beloning arbeid verricht. Bij besluit van 3 december 2009 is een bedrag van

€ 808,84 aan te veel ontvangen WAO-uitkering teruggevorderd.

4.2. De bezwaren van appellante tegen deze besluiten zijn bij besluit op bezwaar van 5 augustus 2010 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

5.1. In beroep is door appellante aangevoerd dat haar beroepsgronden identiek zijn aan de gronden aangevoerd in de zaak 10/5406. Kort gezegd komt het er op neer dat door het Uwv is uitgegaan van de verkeerde maatman en van een onjuist maatmaninkomen.

5.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2010 ongegrond verklaard. Zij heeft voor de motivering verwezen naar haar uitspraak in de zaak 10/5406.

Het hoger beroep

6.1. Aan het Uwv zijn vragen gesteld over de gekozen maatman in relatie tot de laatstelijk door appellante feitelijk verrichte werkzaamheden in Denemarken. Gevraagd is verder waarom de beoordeling van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante niet volgens de systematiek van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) heeft plaatsgevonden.

6.2. Door de gemachtigde van appellante is vervolgens aan het Uwv de vraag voorgelegd of Vo 1408/71 niet tevens gevolgen dient te hebben voor de berekening van het dagloon.

6.3. Door het Uwv is aan appellante bericht dat voor haar een buitenlands invaliditeitspensioen zal worden aangevraagd overeenkomstig het gestelde in de

EU-Verordeningen.

6.4. Bij brief van 5 maart 2014 heeft het Uwv de Raad bericht dat aan appellante in beginsel met ingang van 1 juli 2008 een Deense uitkering is toegekend. Opgemerkt wordt verder dat niet is gebleken dat bij de stelling van de bezwaararbeidsdeskundige dat de in Denemarken gegenereerde verdiensten niet geschikt zijn om als basis te dienen voor een vergelijking met in Nederland geschikte arbeid, de Europese Verordeningen zijn betrokken. Gelet op het feit dat het Deense orgaan inmiddels heeft te kennen gegeven dat er volgens de Deense wetgeving verzekerde tijdvakken zijn geweest van 15 september 2006 tot 3 mei 2008, was toepassing van Vo 1408/71 echter aangewezen. Geconcludeerd wordt dat het besluit van 4 juni 2009, inzake de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43a van de WAO, voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van het maatmanloon, niet kan worden gehandhaafd. Hetzelfde geldt voor de hoogte van het (vervolg)dagloon, waarnaar de uitkering vanaf 21 oktober 2007 is berekend.

6.5. De gemachtigde van appellante heeft daarop de Raad verzocht een tussenuitspraak te doen, waarbij het Uwv opdracht krijgt het een en ander opnieuw te gaan berekenen. Daarnaast is door de gemachtigde voor beide procedures verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

6.6. Bij brief van 24 maart 2013 heeft het Uwv de Raad laten weten dat van het Deense orgaan een afschrift is ontvangen van een toekenningsbesluit van een invaliditeitspensioen. Tevens is een formulier E210 ontvangen. Nagegaan wordt wat thans nog ontbreekt om een nader standpunt in te nemen. Namens appellante is aan de Raad bericht dat zij het met de beslissing van het Deense orgaan niet eens is en dat zij daartegen in beroep zal gaan.

6.7. Ter zitting van de Raad in hoger beroep heeft de gemachtigde van het Uwv erkend dat de gesignaleerde gebreken in de besluitvorming zowel bestreden besluit 1 als bestreden besluit 2 betreffen.

7.

De Raad oordeelt als volgt.

7.1.

Vastgesteld moet worden dat, ook naar het oordeel van het Uwv, de bestreden besluiten niet zorgvuldig zijn voorbereid, nu het Uwv bij de voorbereiding van die besluiten geen aandacht heeft geschonken aan het belang van het Unierecht voor de besluitvorming en beslissingen in de onderhavige zaken. Daarbij gaat het om de wijze van berekening van de uitkering (pro rata en/of nationaalrechtelijk) en de vaststelling van het maatmaninkomen en de hoogte van het dagloon.

7.2.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de Raad van oordeel is dat aan de bestreden besluiten een gebrek kleeft. Met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet draagt de Raad het Uwv op dit gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de besluiten van 4 juni 2009 en 5 augustus 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) I.J. Penning

CVG