Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1714

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
13-1069 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vanaf 1 mei 2011 was sprake van wederzijdse zorg tussen appellanten. Schending van de inlichtingenverplichting. Intrekking en terugvordering bijstand. Draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen de terugvordering en op het bezwaar van appellant tegen de medeterugvordering met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen. Het college dient daarbij tevens een beslissing te nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus bestaat geen ruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1069 WWB, 13/1099 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

16 januari 2013, 12/842 en 12/946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [appellant] te [woonplaats 2] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U.R. Slangenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. D.M.C. Kooijman, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Slangenberg. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kooijman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 3 september 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een schriftelijke melding dat appellante op het uitkeringsadres samenwoont met appellant hebben sociaal rechercheurs van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dit kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn bij de woningen van appellanten waarnemingen verricht en zijn gegevens over het water- en energieverbruik in de woningen van appellanten opgevraagd. Appellanten zijn elk verhoord op 24 november 2011. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 15 december 2011.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

11 januari 2012 (primair besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 5 oktober 2010 in te trekken en de over de periode van 5 oktober 2010 tot en met 31 oktober 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 11.733,56. Bij afzonderlijk besluit van 11 januari 2012 (primair besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

22 augustus 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college dit bedrag mede van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de bedoelde periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant zonder daarvan bij het college melding te maken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat het college ten onrechte op grond van de verklaringen van appellante heeft geconcludeerd dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Appellante mag niet aan haar verklaringen worden gehouden, omdat zij door haar medicijngebruik niet in staat was om op de suggestieve vragen van de sociaal rechercheurs waarheidsgetrouwe antwoorden te geven. Voorts is geen sprake van uit nader onderzoek verkregen aanvullend objectief bewijs. Appellanten betwisten dat sprake was van wederzijdse zorg. De hulp die appellant aan appellante verleende is te beschouwen als mantelzorg. Verder hebben appellanten benadrukt dat de officier van justitie de strafzaak tegen appellante heeft geseponeerd wegens onvoldoende wettig bewijs.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 5 oktober 2010 tot en met 11 januari 2012, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat het college aannemelijk dient te maken dat appellanten ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

4.4.

Het college heeft zijn standpunt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden met name gebaseerd op de verklaringen die appellante op 24 november 2011 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in dit geval zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellante heeft weliswaar een lijst met door haar gebruikte medicatie overgelegd en voor de bijwerkingen daarvan verwezen naar een naslagwerk, maar hiermee is nog niet aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde van het verhoor als gevolg van haar medicijngebruik niet naar waarheid kon verklaren. Zij heeft evenmin een verklaring van een arts overgelegd die haar stelling ondersteunt. Dat de sociaal rechercheurs suggestieve vragen hebben gesteld, blijkt niet uit de weergave van de verhoren in de processen-verbaal, die zij na lezing heeft ondertekend. Voorts heeft appellante na afloop van de verhoren geen klacht ingediend tegen de gang van zaken en heeft zij evenmin kenbaar gemaakt wat zij, in tegenstelling tot wat zij heeft verklaard, had willen verklaren.

4.5.

De verklaringen van appellante bieden voldoende grondslag voor het standpunt dat appellanten ten tijde van het verhoor hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. Appellante heeft stellig en gedetailleerd verklaard over de feitelijke woonsituatie en de frequentie van het verblijf van appellant bij appellante. Appellante heeft, samengevat, het volgende verklaard. Sinds appellante last heeft van verlammingsverschijnselen in haar gezicht slaapt appellant wel zes keer per week bij haar en dit is zo sinds de zomervakantie van 2011. Voor de zomervakantie was appellant ook vaak bij appellante, maar niet zo vaak. Voor die tijd sliep hij sowieso drie keer per week bij haar, maar misschien ook wel vaker. Op de vraag hoe de feitelijke woonsituatie van appellanten ten tijde van het verhoor is, heeft appellante verklaard dat appellant toch inderdaad wel veel bij haar is en dan ook bij haar slaapt. Vrijwel dagelijks eet appellant bij appellante. Appellant heeft een woning in [woonplaats 2] en staat daar ook ingeschreven, maar in de praktijk is hij het meeste bij appellante. Zoals de situatie nu is, komt het wel neer op samenwonen, aldus appellante. Appellanten zijn vrijwel altijd samen op het adres van appellante en appellant is eigenlijk nooit in zijn eigen huis. Appellanten hebben de sleutel van elkaars woning, aldus appellante. Appellant heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat er geen sprake is van samenwonen. Hij heeft echter wel verklaard dat hij een paar keer per week bij appellante verblijft en bij haar slaapt, eet en doucht.

4.6.

Anders dan het college en de rechtbank ziet de Raad in de verklaringen van appellante echter onvoldoende grondslag voor het standpunt dat appellanten reeds vanaf 5 oktober 2010 hun gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van appellante hadden. Daartoe is van belang dat appellante op de vraag hoe lang appellanten al samenleven zoals zij dat ten tijde van het verhoor, op 24 november 2011, doen, heeft verklaard dat appellant vanaf de zomer van dit jaar, en appellante bedoelt dan mei 2011, echt te veel bij appellante is omdat hij op dit moment wel zes nachten per week bij haar is. Appellante heeft in dit verband verder het volgende verklaard. Voor de zomer was het allemaal een beetje minder. Toen was het niet altijd. Het is nu altijd, het samen eten, het samen slapen, het samen leven. Sinds mei 2011 is het gevoel tussen appellante en appellant wat veranderd. Voor mei 2011 was het praktisch gezien hetzelfde als dat de woonsituatie nu is, maar toen voelde het in het hoofd van appellante anders. In februari 2010 deden appellanten nog rustig aan. Appellant sliep in die tijd elk weekend bij appellante en appellante sliep dan gemiddeld één keer per week bij hem. Vanaf de verjaardag van appellante, 5 oktober 2010, had appellante echt het gevoel dat zij een relatie hadden. Appellant is die verjaardag ook samen met zijn kinderen bij appellante op haar verjaardag geweest. Die verjaardag op 5 oktober 2010 is ook feitelijk het omslagpunt, vanaf dat moment sliepen appellanten veel meer samen, aldus appellante. Uit deze verklaringen blijkt dat appellante uit zichzelf meerdere malen heeft verklaard dat sinds mei appellant aanmerkelijk vaker dan voorheen bij haar verbleef, terwijl de frequentie in de voorliggende periode op gemiddeld drie dagen per week was te stellen. Appellante heeft weliswaar kennelijk op basis van de door de sociaal rechercheurs gegeven uitleg van het begrip gezamenlijke huishouding in de loop van het verhoor zelf de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding op 5 oktober 2010 doch haar interpretatie van de feitelijke situatie is, met name gelet op de aard van de aan haar gegeven uitleg, niet van doorslaggevende betekenis. Zij heeft voorts over de feitelijke situatie op deze datum geen concrete gegevens verstrekt. Dat zij het gevoel had vanaf die datum een relatie te hebben, dat appellant op haar verjaardag is geweest en dat zij vanaf die datum veel meer samen sliepen is daarvoor onvoldoende. De verklaringen van appellante impliceren dat appellant vanaf 1 mei 2011 het merendeel van de week in de woning van appellante verbleef en daar dan ook bleef slapen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat appellant vanaf 1 mei 2011 zijn hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres.

4.7.

De verklaringen van appellanten bieden voorts een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat vanaf 1 mei 2011 sprake was van wederzijdse zorg tussen appellanten. Appellante heeft daarover, samengevat, het volgende verklaard. Zij doet bijna altijd de was voor appellant. Appellanten eten vrijwel dagelijks samen. Appellante krijgt een enkele keer geld van appellant om boodschappen te doen, maar meestal betaalt appellante de boodschappen. Appellante koopt altijd de normale dingen, maar als appellant iets bijzonders zou willen hebben, zou zij dat wel voor hem meenemen als zij dat op dat moment kan betalen. Appellante mag gebruik maken van de auto van appellant zonder dat zij daarvoor hoeft te betalen. Als appellante ziek is, zorgt appellant goed voor haar en haalt ook wel medicijnen voor haar. Als appellant ziek zou zijn, zou appellante voor hem zorgen, want zij voelt zich verantwoordelijk voor hem. Appellant heeft gesteld dat zijn verblijf bij appellante in het teken stond van mantelzorg. Voor zover mantelzorg een reden was voor appellant om bij appellante te verblijven, is dat niet van belang, omdat bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daaromtrent en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding buiten beschouwing moeten blijven. Voorts wijst het verlenen van mantelzorg juist op het verlenen van wederzijdse zorg en daarmee op een gezamenlijke huishouding.

4.8.

De omstandigheid dat de strafrechtelijke zaak tegen appellante is geseponeerd wegens onvoldoende wettig bewijs, doet naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1656) geen afbreuk aan het voorgaande. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.9.

Appellante heeft, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, niet bij het college gemeld dat zij en appellant vanaf 1 mei 2011 een gezamenlijke huishouding voeren. Als gevolg van de schending van die verplichting is aan appellante ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend. Het college was daarom op grond van

artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante vanaf 1 mei 2011 in te trekken en, in het verlengde van die intrekking, op grond van

artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de kosten van de over de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 oktober 2011 verleende bijstand van haar terug te vorderen. Voorts was het college op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd die kosten mede van appellant terug te vorderen.

4.10.

De rechtbank heeft wat onder 4.6 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 5 oktober 2010 tot 1 mei 2011. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering, geheel voor vernietiging in aanmerking. Uit het voorgaande volgt dat ook bestreden besluit 2 op een ondeugdelijke grondslag berust, zodat de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond zal verklaren en dit besluit vernietigen. Aanleiding bestaat om zelf voorziend het primaire besluit 1 te herroepen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 5 oktober 2010 tot 1 mei 2011.

4.11.

De Raad zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen de terugvordering en op het bezwaar van appellant tegen de medeterugvordering met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen. Het college dient daarbij tevens een beslissing te nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus bestaat geen ruimte. Dit verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten voor aan hen verleende rechtsbijstand. Voor appellante worden deze kosten begroot op € 974,- voor de kosten in bezwaar, € 974,- voor de proceskosten in beroep en op € 974,- voor de proceskosten in hoger beroep, dus in totaal € 2.922,-. Voor appellant worden die kosten begroot op € 974,- voor de proceskosten in beroep en op € 974,- voor de proceskosten in hoger beroep, dus in totaal € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 22 augustus 2012 (bestreden

besluit 1) gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het ziet op de intrekking van de

bijstand van appellante over de periode van 5 oktober 2010 tot 1 mei 2011 en voor zover het

ziet op de terugvordering;

- verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2012 (bestreden

besluit 2) gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 11 januari 2012 (primair besluit 1) voor zover daarbij de bijstand

van appellante over de periode van 5 oktober 2010 tot 1 mei 2011 is ingetrokken en bepaalt

dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit

van 22 augustus 2012 (bestreden besluit 1);

- draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het

bezwaar van appellante tegen het haar betreffende besluit van 11 januari 2012 voor zover dat

betrekking heeft op de terugvordering;

- draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het

bezwaar van appellant tegen het hem betreffende besluit van 11 januari 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD