Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
13-1443 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding van het restant van de vordering. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. Factoren als leeftijd, hoogte van de schuld en lange duur van de aflossing zijn omstandigheden die bij de totstandkoming van de beleidsregel zijn meegewogen, zodat daarin in beginsel geen grond kan zijn gelegen om af te wijken van de beleidsregel. Persoonlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen zijn niet aangevoerd. Ook de wens van appellant om - onbezwaard - een nieuw bedrijf te kunnen gaan starten kan, hoe begrijpelijk ook, niet tot een ander oordeel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1443 WWB, 13/1444 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

4 februari 2013, 12/847 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.W.C. Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Vranken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.A.A. Buttolo.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 2 november 2005 heeft het college de bijstand ingevolge de Wet Werk en bijstand (WWB) van appellanten over de periode van 17 maart 2003 tot en met 31 juli 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van hen teruggevorderd tot een bedrag van € 26.138,08 bruto en € 7.504,25 netto (2005). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Op 20 juni 2011 heeft appellant verzocht om kwijtschelding van het restant van de vordering, op dat moment nog € 34.378,44. Bij brief van 22 juni 2011 heeft het college aan appellanten bericht dat een bedrag van € 8.484,61 wordt kwijtgescholden als binnen veertien dagen een bedrag van € 25.893,83 aan de gemeente wordt voldaan.

1.3.

Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het college het verzoek om kwijtschelding afgewezen op de grond dat appellanten geen gebruik hebben gemaakt van het overeenkomstig gemeentelijk beleid gedane afkoopvoorstel. Bij besluit van 1 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2011, voor zover dit ziet op het opheffen van vereenvoudigd derdenbeslag niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de toegepaste beleidsregel binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft, dat het bestreden besluit is genomen in overeenstemming met die beleidsregel en dat de aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht afwijking van de beleidsregel was aangewezen en dat geheel of gedeeltelijk van invordering zou dienen te worden afgezien.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is, samengevat, aangevoerd dat appellant zich door de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding ziet gedwarsboomd in zijn plannen om een dienstverlenend bedrijf in de verslavingszorg te starten. Als de gemeente Heerlen vasthoudt aan de gekozen strakke lijn ten aanzien van de terug- en invordering zijn deze plannen bij voorbaat gedoemd te mislukken omdat deze negatieve post onevenredig zwaar drukt op ieder ondernemersplan. Daarbij is nog toegelicht dat, als het niettemin mocht lukken een ondernemerskrediet te verkrijgen, de vrees bestaat dat het college dit krediet onmiddellijk zal benutten om de vordering volledig en ineens te executeren.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 58 van de WWB kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van

2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) ligt hierin besloten de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere invordering.

4.2.

Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college beleidsregels vastgesteld en bekend gemaakt. Deze beleidsregel komt erop neer dat bij verzoeken om kwijtschelding een afkoopregeling wordt aangeboden met een procentuele korting op de restantvordering. In geval van appellanten bedroeg deze ruim 25%.

4.3.

Niet in geschil is dat het besluit van 2 november 2005 in rechte onaantastbaar is geworden en evenmin dat het besluit van 21 juli 2011 is genomen in overeenstemming met de geldende beleidsregel. Partijen zijn in hoger beroep uitsluitend nog verdeeld over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van de in 4.2 bedoelde beleidsregel af te wijken.

4.4.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de door appellanten gestelde bijzondere omstandigheden niet zodanig zijn dat deze dwingen tot afwijking van de beleidsregel en in het verlengde daarvan tot een geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van de in 1.2 genoemde (rest)vordering. Factoren als leeftijd, hoogte van de schuld en lange duur van de aflossing zijn omstandigheden die bij de totstandkoming van de beleidsregel zijn meegewogen, zodat daarin in beginsel geen grond kan zijn gelegen om af te wijken van de beleidsregel. Persoonlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen zijn niet aangevoerd. Ook de wens van appellant om - onbezwaard - een nieuw bedrijf te kunnen gaan starten kan, hoe begrijpelijk ook, niet tot een ander oordeel leiden. De Raad tekent ten slotte - voor dit geding ten overvloede - nog aan dat ter zitting van de Raad van de zijde van het college te kennen is gegeven dat bij het in de toekomst door appellant eventueel verwerven van een bedrijfskrediet, het college in beginsel niet rauwelijks tot executie van de totale restvordering zal overgaan, maar dat alsdan het treffen van een nadere terugbetalingsregeling meer in de rede ligt.

4.5.

Uit wat in 4.3 en 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) O.P.L. Hovens

HD