Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
12-6523 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting door bij het college geen melding te maken van de inkomsten van haar kinderen. De omstandigheid dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6523 WWB

Datum uitspraak: 20 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 oktober 2012, 12/534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M.S. Crienen

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt met ingang van 19 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder, met een toeslag van 20% omdat zij de woonkosten niet kan delen. Tijdens heronderzoek in september 2011 is gebleken dat de twee meerderjarige thuiswonende kinderen van appellante inkomsten uit arbeid hebben ontvangen, welke inkomsten zij niet aan het college heeft doorgegeven.

1.2.

Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het college de bijstand van appellante herzien over de maanden mei, juni en juli 2008, mei, juni, augustus, oktober, november en december 2009, januari, februari en mei tot en met december 2010 en februari tot en met september 2011. De herziening houdt in dat het recht op bijstand wordt voortgezet met een toeslag van 10% in plaats van 20% van de gehuwden norm. De ten onrechte uitbetaalde bijstand in genoemde periodes heeft het college van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 4.855,33. De besluitvorming is gebaseerd op de overweging dat de inwonende kinderen inkomsten hebben ontvangen die hoger zijn dan het normbedrag voor levensonderhoud voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 3.18 WSF 2000. Door hiervan geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

1.3.

Bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat het bij de besluitvorming ten onrechte is uitgegaan van de inkomsten van appellantes zoon, nu deze uitsluitend studiefinanciering ontving. Het college heeft de herziening van de bijstand in verband met de inkomsten van appellantes dochter gehandhaafd, met uitzondering van de maanden juli en augustus 2011. Het bedrag van de terugvordering is vastgesteld op € 4.604,65.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het college moet worden gelezen.

“De beroepsgrond komt er op neer dat eiseres bij gebrek aan wetenschap over het belang van de inkomsten van haar kinderen de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb rustende inlichtingenverplichting niet zou hebben geschonden. De rechtbank kan in dat betoog niet meegaan. In de eerste plaats moet iedere uitkeringsgerechtigde geacht worden op de hoogte te zijn van de hoofdlijnen van de op dat gebied geldende wettelijke verplichtingen. Daartoe behoort onmiskenbaar dat voor de hoogte van de toeslag Wwb inkomsten uit arbeid van meerderjarige kinderen van belang zijn. Voorts blijkt uit de stukken dat eiseres in 2006 daarop van verweerders kant is gewezen. Ook wordt daarover op de door eiseres ingediende wijzigingsformulieren een vraag gesteld, welke door haar echter niet is beantwoord. Dat eiseres naar zij stelt die formulieren door haar dochter heeft laten invullen maakt niet dat dit niet aan haar is toe te rekenen.”

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat stelt zij zich op het standpunt dat het haar niet is te verwijten dat zij de inkomsten van haar kinderen niet heeft opgegeven. Zij wist niet hoe hoog de inkomsten van haar kinderen waren en dat deze van invloed waren op de hoogte van haar bijstand. Voorts spreekt en begrijpt zij de Nederlandse taal onvoldoende om alle formulieren en gesprekken te kunnen begrijpen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

De Raad onderschrijft de hiervoor in 2 geciteerde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Terecht is geoordeeld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van de inkomsten van haar kinderen. De Raad voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, dat niet anders maakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante al geruime tijd bijstand ontvangt, zij aanvragen heeft gedaan om bijzondere bijstand, een uitkering op grond van het minimabeleid en langdurigheidstoeslag en dat zij in voorkomende gevallen wordt bijgestaan door haar kinderen die de Nederlandse taal wel voldoende beheersen.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.3.

Nu de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, dient het verzoek van appellante om veroordeling tot vergoeding van schade te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD