Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
12-837 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorzieningen krachtens de AOR: Geen causaal verband tussen de medische klachten van betrokkene en de meegemaakte calamiteiten. Er zijn geen medische rapporten aangedragen die twijfel kunnen doen rijzen aan de opvattingen van verweersters medisch adviseur. Overschrijding redelijke termijn in bestuurlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/837 AOR

Datum uitspraak: 23 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

De erven van [Betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (verweerster)

PROCESVERLOOP

Namens [Betrokkene] (betrokkene) heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 25 januari 2012, kenmerk 0000448/CAOR. Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene is op 19 oktober 2012 overleden. Appellanten hebben de procedure voortgezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2013. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G. Belleflamme en mr. R.L.M.J. Gielen.

OVERWEGINGEN

1.

Betrokkene, geboren in 1944 in het voormalig Nederlands Indië, heeft in 2008 verzocht om voorzieningen krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Bij besluit van 29 juni 2009 is erkend dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld, maar is haar aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen dat oorlogsgeweld en haar medische klachten. Aan dit besluit liggen een rapportage en een advies van geneeskundig adviseur Ohlenschlager ten grondslag. Betrokkene heeft genoemd besluit vergeefs in bezwaar en beroep aangevochten (CRvB 16 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9332).

1.1.

Op 17 mei 2010 heeft betrokkene bij verweerster een verzoek ingediend om voorzieningen krachtens de AOR. Bij besluit van 21 februari 2011 heeft verweerster dit verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van een verband tussen de medische klachten van betrokkene en de meegemaakte calamiteiten. Dit besluit berust op een rapportage van psychiater/psychotherapeut Hellinga. Het is na bezwaar bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.

De Raad overweegt het volgende.

2.1.

Appellanten hebben in de eerste plaats aangevoerd dat de psychiatrische oordeelsvorming in het kader van de AOR-aanvraag te zeer volgens de systematiek van de Wubo heeft plaatsgevonden. Daarin kunnen zij niet worden gevolgd. De rapportage van Hellinga benoemt immers, conform de methodiek van de AOR waaraan appellanten hebben gerefereerd en in antwoord op eveneens volgens die methodiek geformuleerde vragen, eerst de diagnose, bepreekt dan de beperkingen in de vier levenssferen en gaat vervolgens in op de causaliteit tussen die beperkingen en de doorstane calamiteiten. Het enkele feit dat de rapportage tevens, in feitelijke zin, melding maakt van de wijze waarop de Wubo-aanvraag is beoordeeld, maakt niet dat die beoordeling klakkeloos is overgenomen. Er heeft aantoonbaar eigen oordeelsvorming plaatsgevonden.

2.1.1.

Appellanten hebben zich verder beroepen op een specifieke passage in het naar aanleiding van de Wubo-aanvraag uitgebrachte advies van Ohlenschlager, luidende dat de voorgelegde calamiteit van ondergeschikt belang is voor het ontstaan van de psychische klachten. De Raad begrijpt deze beroepsgrond aldus dat appellanten uit de bewuste passage afleiden dat er, hoe gering ook, toch van enige causaliteit moet worden gesproken en dat zij menen dat deze geringe causaliteit, ook al kon die betrokkene in het kader van de Wubo niet baten, wel tot de conclusie van oorlogsletsel in de zin van de AOR had moeten leiden. Ook hierin kunnen appellanten niet worden gevolgd. De door Ohlenschlager gebruikte bewoordingen “van ondergeschikt belang” duiden, in aanmerking genomen de context waarin deze zijn gebezigd, veeleer op het ontbreken van noemenswaardige causaliteit dan op aanwezigheid daarvan. De bedoelde, enkele zinsnede geeft dan ook geen reden de gemotiveerde bevindingen van Hellinga in twijfel te trekken.

2.1.2.

Het advies van de door verweerster in de bezwaarfase geraadpleegde arts Van den Brand kan appellanten, ten slotte, evenmin baten. Anders dan appellanten menen, heeft Van den Brand in zijn rapportage geen huishoudelijke hulp voor betrokkene bepleit, maar verwezen naar een opmerking daarover in de rapportage van Hellinga. Het gaat om de opmerking van Hellinga dat hij betrokkene zou gunnen dat zij vergoeding voor iets meer hulp in huis zou kunnen krijgen. Hellinga heeft daarbij uitdrukkelijk de vrees uitgesproken dat zijn rapportage weinig aanknopingspunten zal bieden om betrokkene enigszins ter wille te zijn. Die vrees was gerechtvaardigd.

2.1.3.Appellanten hebben geen medische rapporten aangedragen die twijfel kunnen doen rijzen aan de opvattingen van verweersters medisch adviseur. Op de aanvraag van betrokkene is al met al terecht afwijzend beslist.

2.2.

Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.2.1.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

2.2.2.

In dit geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee-en-een-half jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond

(CRvB 9 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179).

2.2.3.

In het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 15 maart 2011 tot aan de datum van deze uitspraak zijn twee jaar en ruim tien maanden verstreken. Dat is meer dan twee-en-een-half jaar. Noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene zijn aanknopingspunten gelegen voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee-en-een-half jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is daarom met ruim vier maanden overschreden. De overschrijding is geheel aan de bestuurlijke fase toe te schrijven en komt dus voor rekening van verweerster.

2.2.4.

Volgens de rechtspraak van de Raad is in het algemeen een vergoeding gepast van

€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Er is geen aanleiding om daarvan af te wijken. De geleden immateriële schade moet dus worden vastgesteld op een bedrag van € 500,-.

3.

Gelet op het overwogene onder 2.2 tot en met 2.2.4 moet het beroep gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Het overwogene onder 2.1 tot en met 2.1.3 geeft aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. De Raad zal verweerster veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,-.

4.

Er is ten slotte aanleiding verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep. Deze worden begroot op € 974,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 25 januari 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerster tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 974,-;

- bepaalt dat verweerster aan appellanten het betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en B.J. van de Griend en

G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.R. Schuurman

HD