Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
19-05-2014
Zaaknummer
12-5172 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting, intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. Financiële ondersteuning door ouders.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 8
Participatiewet 11
Participatiewet 18
Participatiewet 19
Participatiewet 25
Participatiewet 27
Participatiewet 30
Participatiewet 31
Participatiewet 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5172 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 augustus 2012, 12/205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Bussum (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. De Kaste heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 12/5158 WWB plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. d’Accorso. In de zaak 12/5158 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 juli 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% en sinds

3 september 2010 naar de norm voor een alleenstaande eveneens met een toeslag van 20%. Zij staat vanaf 11 juni 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres]. Deze woning is eigendom van de moeder van appellante.

1.2.

Nadat [naam] ([naam]), naar aanleiding van een incident op 7 december 2010 waarbij de honden van appellante betrokken waren, tegenover de politie het uitkeringsadres als zijn verblijfadres had opgegeven, heeft de sociale Recherche Gooi en Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij de ziektekostenverzekeraar van appellante en van [naam] en bij andere verzekeringsmaatschappijen, waaronder Dela Verzekeringen, water- en energieverbruiksgegevens van het uitkeringsadres opgevraagd en informatie ingewonnen bij de regiopolitie Gooi- en Vechtstreek. Verder heeft de sociale recherche in de periode van 17 januari 2011 tot en met 4 februari 2011 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en deze woning in de periode van 11 februari 2011 tot en met 15 april 2011 - deels met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel - geobserveerd. Ook zijn meerdere getuigen, waaronder buurtbewoners van het uitkeringsadres, gehoord. Tijdens een doorzoeking in de woning van appellante op 19 april 2011 zijn onder meer aangetroffen administratieve bescheiden in beslag genomen. Appellante en [naam] zijn op

19

en 20 april 2011 door de sociale recherche verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 mei 2011.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 24 mei 2011 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2011 op te schorten. Bij besluit van 30 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2011 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 7 juni 2011 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 maart 2011 ingetrokken en de over deze periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.486,94 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 1 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 24 mei 2011, 30 mei 2011 en 7 juni 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen woonlasten heeft en financieel wordt ondersteund door haar ouders, waarvan zij het college geen mededeling heeft gedaan. Daarnaast berust het bestreden besluit op de conclusie van het college dat appellante en [naam] vanaf 1 november 2009 een gezamenlijke huishouding voerden, waarvan appellante het college evenmin mededeling heeft gedaan.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij een gezamenlijke huishouding met [naam] heeft gevoerd. Uit de getuigenverklaringen kan niet worden afgeleid dat [naam] zijn hoofdverblijf in haar woning heeft gehad. Daartoe zijn deze verklaringen onvoldoende concreet. De rechtbank heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de door appellante in geding gebrachte getuigenverklaringen. Met betrekking tot de financiële ondersteuning door haar ouders heeft appellante aangevoerd dat er nooit rechtstreeks een bedrag aan haar ten goede is gekomen. Appellante diende een huur van € 625,- per maand aan haar moeder te voldoen en heeft dit bedrag aangewend ten behoeve van de paarden van haar dochters, waarmee sprake was van een - indirecte - vergoeding van haar moeder aan haar dochters. Appellante stelt verder dat zij geen gegevens heeft verzwegen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gezamenlijke huishouding

4.1.1. Beoordeeld dient te worden of appellante en [naam] in de periode van

1 november 2009 tot en met 30 mei 2011 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.1.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.1.3. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.2.1. Appellante en [naam] stonden in de te beoordelen periode ingeschreven op verschillende adressen. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt in feite van samenwonen moet worden gesproken. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.2. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante en [naam] in de te beoordelen periode hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Van belang zijn met name de verklaringen van appellante en [naam] tijdens de verhoren op 19 en 20 april 2011. Appellante heeft samengevat verklaard dat [naam] af en aan bij haar verblijft, dat hij er erg veel is omdat hij haar helpt en op dat moment bijna iedere nacht in de woning verblijft. Appellante woont sinds mei 2009 op het uitkeringsadres en [naam] is bij haar sinds hij zijn sleutelbeen heeft gebroken bij een scooterongeluk op 6 oktober 2010. De verklaring van [naam] dat hij al ongeveer één jaar of één jaar en drie maanden in de woning van appellante verblijft klopt volgens appellante niet omdat [naam] ook wel is weggegaan en bij anderen heeft geslapen. [naam] heeft verklaard dat hij op dat moment zeven nachten per week bij appellante op het uitkeringsadres verblijft en dat deze situatie zich heeft opgebouwd. Hij is daar niet gelijk gaan wonen, maar woont daar een jaar of een jaar en drie maanden en kwam daarvoor ook regelmatig bij appellante.

4.2.3. Het betoog van appellante dat nergens uit blijkt dat zij akkoord was met hetgeen door de sociaal rechercheur is genoteerd en zij het proces-verbaal niet heeft ondertekend, zodat geen gewicht toekomt aan deze verklaringen, faalt. De in de processen-verbaal van 19 en 20 april 2011 opgenomen verklaring van appellante is zeer uitgebreid en bevat meerdere details. De sociaal rechercheur heeft de verklaring aan appellante voorgelezen en zij heeft daarin volhard. Appellante heeft aangegeven dat zij haar verklaring niet wil ondertekenen omdat zij al zoveel dingen in haar leven heeft ondertekend en zo vaak onderuit is gegaan en op advies van haar vader en advocaat nooit iets ondertekent. Gelet hierop bestaat geen aanleiding appellante niet te houden aan haar verklaringen die zijn opgenomen in de door de sociale recherche op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van 19 en 20 april 2011. De verklaring van appellante inhoudende dat [naam] bijna iedere dag in haar woning verblijft, komt overeen met de verklaring van [naam]. Dit rechtvaardigt de conclusie dat [naam] zijn hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres.

4.2.4. Het standpunt van het college dat [naam] zijn hoofdverblijf vanaf 1 november 2009 in de woning van appellante heeft gehad, vindt steun in de in de woning van appellante aangetroffen administratie van [naam]. Hierbij zijn poststukken op naam van [naam] geadresseerd op het uitkeringsadres aangetroffen, waaronder een poststuk gedateerd op 30 oktober 2009. Uit de verzekeringspolis van [naam] bij Dela Verzekeringen blijkt dat [naam] op 1 november 2009 het uitkeringsadres als zijn adres heeft opgegeven. Daarmee geconfronteerd heeft [naam] aangeven dat het niet zo vreemd is dat het uitkeringsadres op de polis is vermeld, omdat hij daar nu eenmaal verbleef.

4.2.5. Voorts wordt het hoofdverblijf van [naam] in de woning van appellante in de gehele in geding zijnde periode ondersteund door de verklaringen van buurtbewoners in de omgeving van het uitkeringsadres. Anders dan appellante heeft aangevoerd, zijn de verklaringen van de omwonenden van het uitkeringsadres tegenover de sociale recherche voldoende concreet en hebben deze verklaringen ook betrekking op de periode vanaf 1 november 2009. Meerdere buurtbewoners, te weten [buurtbewoner 1] en [buurtbewoner 2],[buurtbewoner 3], [buurtbewoner 4] en[buurtbewoner 5], hebben verklaard dat appellante en [naam] gelijktijdig op het uitkeringsadres zijn komen wonen. Ook hebben meerdere buurtbewoners verklaard dat zij [naam] elke dag zien en hem bijvoorbeeld de honden uit zien laten en met boodschappen zien lopen. Daarnaast is [naam] tijdens waarnemingen en observaties in de periode van 17 januari 2011 tot en met 15 april 2011 regelmatig nabij de woning van appellante waargenomen, is gezien dat hij de woning in- en uitgaat en is tevens geconstateerd dat hij zich de toegang tot haar woning verschafte met een sleutel.

4.2.6. Appellante heeft aangevoerd dat aan de door haar in beroep en in hoger beroep ingebrachte schriftelijke getuigenverklaringen meer betekenis toekomt dan aan de verklaringen van de omwonenden van het uitkeringsadres. Deze beroepsgrond slaagt niet. De door appellante ingebrachte verklaringen, die er samengevat op neerkomen dat appellante en [naam] niet samenwonen, zijn afkomstig van familieleden en bekenden van appellante en zijn geruime tijd na de periode in geding opgesteld. Aan deze veelal summiere verklaringen komt niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wenst te zien.

4.3.1. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate aanwezig is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord of in een concreet geval aan het zorgcriterium is voldaan.

4.3.2. De onderzoeksbevindingen, waarvan in het bijzonder de verklaringen die appellante en [naam] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd, bieden eveneens een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat is voldaan aan het tweede criterium, de wederzijdse zorg. Appellante heeft onder meer zorg verleend door [naam] onderdak te bieden en de was van [naam] te verzorgen. Volgens de verklaring van appellante leggen zij geld bij elkaar en doen daarvan de boodschappen en soms wordt er gezamenlijk gegeten. [naam] kookt altijd voor de kinderen. Appellante heeft [naam] verzorgd nadat hij zijn sleutelbeen had gebroken. [naam] heeft in dit verband verklaard dat hij meestal de boodschappen haalt en ook meestal kookt. Verder laat hij de honden van appellante uit. Zij maken gebruik van elkaars pinpas. Bij de ziektekostenverzekeraar stonden appellante en [naam] op 31 oktober 2009 op één polisblad geregistreerd. Ook waren enige tijd de dochters van appellante op de polis van [naam] geregistreerd als medeverzekerden. Hieruit volgt dat aan het vereiste van wederzijdse zorg is voldaan.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat appellante en [naam] in de periode van 1 november 2009 tot en met 30 mei 2011 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting daarvan geen melding gemaakt aan het college met als gevolg dat aan appellante in genoemde periode ten onrechte als zelfstandig subject bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder) is verleend. Dit betekent dat het college bevoegd was de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2009 in te trekken. Ten aanzien van het gebruik maken van die bevoegdheid en de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

Financiële ondersteuning

5.1.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009. Het college heeft de bijstand van appellante over deze periode ingetrokken op de grond dat zij geen woonkosten heeft en door haar ouders maandelijks financieel wordt ondersteund, waardoor zij geen recht heeft op bijstand.

5.1.2.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode de overeengekomen huursom van € 625,- per maand niet behoefde te voldoen en feitelijk geen woonkosten heeft gehad. Evenmin is in geschil dat de moeder van appellante in deze periode de energiekosten tot een bedrag van € 282,93 per maand voor appellante heeft betaald. Daarnaast staat, gelet op het overzicht dat de sociale recherche op basis van de door appellante overgelegde bankafschriften heeft gemaakt van de mutaties op de bankrekening van appellante, vast dat zij in deze periode ook andere bedragen van haar moeder heeft ontvangen.

5.1.3.

Het betoog van appellante dat het college met de door haar structureel verstrekte bankafschriften door appellante was geïnformeerd over haar financiële situatie, kan niet worden gevolgd. Appellante heeft immers geen mededeling gedaan aan het college van het feit dat zij de overeengekomen huursom niet behoefde te voldoen en evenmin van de door haar moeder betaalde energiekosten. Reeds daarom heeft appellante de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het college terecht heeft geconcludeerd dat appellante, gelet op de door haar ontvangen financiële ondersteuning, geen aanspraak op bijstand heeft.

5.2.1.

Artikel 11, eerste lid, van de WWB bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

5.2.2.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende.

5.2.3.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft een alleenstaande ouder recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

5.2.4.

Artikel 27 van de WWB bepaalt dat het college de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager kan vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27 van de WWB is van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie niet alleen sprake bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, maar ook in geval een woning wordt bewoond waaraan voor de bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden, omdat een derde de woonlasten van de woning betaalt (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3).

5.2.5.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm bedoeld in artikel 30. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt ingevolge artikel 30, vierde lid, van de WWB plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.

5.2.6.

In artikel 3, eerste lid, van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2008 van de gemeente Bussum (verordening) is bepaald dat de toeslag voor een alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft 20% van de gehuwdennorm bedraagt. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de verordening wordt de norm of toeslag lager vastgesteld in geval van het geheel of gedeeltelijk ontbreken van woonkosten voor de betrokkene. In het derde lid van artikel 8 van de verordening is bepaald dat de verlaging gelijk is aan de basishuur als genoemd in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag, verminderd met de werkelijk door belanghebbende te betalen woonkosten. In artikel 9 van de verordening is een anticumulatie beding opgenomen, inhoudende dat bij toepassing van de artikelen 3 en 8 van de verordening de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder tenminste 55% van de gehuwdennorm bedraagt.

5.2.7.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend.

5.2.8.

Op grond van artikel 32, eerste lid, van de WWB, zoals dat ten tijde van belang luidde, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) inkomsten betreffen uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

5.3.

Het college heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de niet verschuldigd zijnde huursom en de door de moeder van appellante betaalde energiekosten, overeenkomstig de uitspraken van de Raad van 4 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:719 en ECLI:NL:CRVB:2014:705), niet als middel in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB kunnen worden aangemerkt. Appellante heeft immers niet feitelijk beschikt en evenmin redelijkerwijs kunnen beschikken over deze bedragen.

5.4.

Gelet op 5.3 berust het bestreden besluit niet op een juiste wettelijke grondslag. Met het oog op definitieve geschilbeslechting overweegt de Raad als volgt.

5.5.

Het college heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het recht op bijstand gelet op de verdergaande financiële ondersteuning door de ouders van appellante, waarbij de vader van appellante maandelijks een bedrag van € 1.000,- aan de moeder van appellante overmaakt, die dat bedrag ten behoeve van appellante aanwendt voor de woonkosten en ook andere bedragen overmaakt, niet kan worden vastgesteld.

5.6.

Anders dan het college is de Raad van oordeel dat appellante uiteindelijk wel de verlangde financiële informatie heeft verstrekt. Vaststaat immers dat appellante geen woonkosten heeft gehad. Ook heeft de moeder periodiek en structureel de energiekosten van appellante betaald in de te beoordelen periode. Daarnaast zijn in het rapport van de sociale recherche op basis van de bankafschriften van appellante de door appellante ontvangen bedragen, waaronder overige door de moeder van appellante overgemaakt bedragen, uiteengezet. Geen aanknopingspunten bestaan voor het standpunt van het college dat sprake was van een verdergaande financiële ondersteuning door de ouders van appellante.

5.7.1.

Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het bestaan. De bijstand vult aan wanneer eigen middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. De WWB is complementair ten opzichte van voorliggende voorzieningen en vervult een sluitstukfunctie. Het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde individualiseringsbeginsel vloeit voort uit het complementariteitsbeginsel en het noodzakelijkheidscriterium.

5.7.2.

Het ontbreken van woonkosten brengt gelet op het bepaalde in artikel 27 WWB in samenhang met de artikelen 3 en 8 van de verordening, met zich mee dat de bijstand van appellante dient te worden verlaagd met de basishuur als genoemd in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag. Dit betekent dat de bijstand van appellante dient te worden verlaagd met de basishuur. Daarbij geldt gelet op het bepaalde in artikel 9 aanhef en onder b van de verordening dat de bijstandsnorm voor appellante als alleenstaande ouder tenminste € 712,28, zijnde 55% van de op 1 juli 2009 geldende gehuwdennorm, bedraagt.

5.7.3.

Met de betaling van de energiekosten door de moeder van appellante werd verder volledig voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante. Doordat appellante deze kosten niet meer zelf behoefde te voldoen uit de bijstandsnorm leverde dit haar een substantiële besparing op, zodat haar bijstandbehoevendheid gedurende de hier te beoordelen periode per saldo werd verminderd. Anderzijds resteren voor appellante nog wel andere kosten van levensonderhoud waarin niet (in de gehele periode) door een derde werd voorzien.

5.7.4.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB is het college gehouden om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de mogelijkheden en middelen van de betrokkene. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor een dergelijke afstemming in de vorm van een verlaging slechts plaats in zeer bijzondere situaties (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450).

5.7.5.

Gelet op wat in 5.8.3 is overwogen kan een dergelijke bijzondere situatie hier worden aangenomen. Afstemming op de omstandigheden van appellante is daarom aangewezen. Een verdere verlaging van de toepasselijke bijstandsnorm met een maandelijks bedrag ter hoogte van de door de moeder betaalde energiekosten van € 282,93 kan wel standhouden.

5.8.

Op de onder 5.7.5 afgestemde norm dienen de door appellante in de te beoordelen periode verder van haar moeder en aan alimentatie ontvangen bedragen die wel feitelijk tot haar beschikking zijn gekomen en als middelen kunnen worden aangemerkt in mindering te worden gebracht. Het door appellante ontvangen bedrag aan IB teruggave kan alleen tot de middelen van appellante worden gerekend, indien dit bedrag geen betrekking heeft op een periode waarop aanspraak op bijstand bestond.

6.

Uit wat is overwogen onder 5.4 tot en met 5.8 vloeit voort dat de besluitvorming over de intrekking over de maanden juli tot en met oktober 2009 niet in stand kan blijven. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de maanden juli, augustus, september en oktober 2009 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd. Het college zal in zoverre een nieuwe berekening moeten maken. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - definitieve geschillenbeslechting. De Raad zal het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen.

7.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 december 2011 gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 december 2011, voor zover het de intrekking van de bijstand over

de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009 betreft en voor zover het de

terugvordering als geheel betreft;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen met betrekking tot de intrekking van de bijstand over de perioden van

1 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009 en met betrekking tot de terugvordering;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en Y.J. Klik en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 AH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij