Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
19-05-2014
Zaaknummer
13-649 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4653, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Overschrijding maximale toegestane periode voor verblijf in het buitenland. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde hier van belang zeer dringende redenen hebben voorgedaan. Reeds omdat de redenen van het verblijf in het buitenland niet haar persoon betreffen is er geen reden voor toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat de bescherming die artikel 8 van het EVRM biedt niet zo ver strekt dat het college verplicht was appellante financieel in staat te stellen om de uitoefening van het recht op gezinsleven mogelijk te maken gedurende de tijd dat zij - vanwege het overlijden van haar moeder - in Suriname heeft verbleven. Verboden onderscheid naar leeftijd ten tijde hier in belang niet meer van toepassing.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/199 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
JWWB 2014/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/649 WWB

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

20 december 2012, 12/2950 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tholen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 maart 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1961, ontving sinds 3 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij was ten tijde in geding gedeeltelijk ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB.

1.2.

Het college heeft appellante toestemming verleend om met behoud van uitkering in de periode van 26 mei 2011 tot en met 23 juni 2011 in het buitenland te verblijven. Daarbij heeft het college aangegeven dat de maximale vakantieperiode per kalenderjaar in haar geval vier weken is.

1.3.

Op 19 september 2011 heeft appellante telefonisch aan het college laten weten dat zij de volgende dag voor waarschijnlijk 3 weken naar Suriname vertrekt in verband met het overlijden van haar moeder. Op 17 oktober 2011 heeft appellante telefonisch aan het college meegedeeld dat zij weer thuis is.

1.4.

Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college - voor zover hier van belang - de bijstand van appellante over de periode van haar laatste verblijf in het buitenland ingetrokken omdat zij de voor haar maximaal toegestane periode van vier weken voor verblijf in het buitenland heeft overschreden.

1.5.

Bij besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2011 gegrond verklaard, maar de intrekking van de bijstand over de periode van 21 september 2011 tot en met 16 oktober 2011 gehandhaafd op de grond dat appellante eerder in het kalenderjaar 2011 de maximale verblijfsduur in het buitenland heeft verbruikt, waardoor zij over de periode waarop de intrekking ziet geen recht op bijstand heeft.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland. Artikel 13, vierde lid, onderdeel a, van de WWB bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder e, voor personen jonger dan 65 jaar, aan wie op grond van

artikel 9, tweede lid, ontheffing is verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, een periode van 13 weken geldt.

4.2.

Vaststaat dat appellante langer dan de toegestane periode van vier weken buiten Nederland verblijf heeft gehouden. Het betoog dat het college appellante toestemming heeft verleend om vanwege het overlijden van haar moeder (met behoud van uitkering) langer dan de toegestane periode van vier weken in het buitenland te verblijven, heeft appellante niet nader onderbouwd. Omdat daarvoor in de gedingstukken evenmin aanknopingspunten zijn te vinden, slaagt deze grond niet.

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB geen recht had op bijstand over de periode van 21 september 2011 tot en met

16 oktober 2011.

4.4.

Omdat aan appellante over deze periode geen ontheffing is verleend van alle in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen, is zij niet een persoon als bedoeld in

artikel 13, vierde lid, onderdeel a, van de WWB. Anders dan bepleit kunnen de bijzondere persoonlijke omstandigheden van appellante geen reden zijn voor het college om aan het bepaalde in dit artikelonderdeel een analoge toepassing te geven. Het college kan in afwijking van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB wel bijstand verlenen als sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Zie daartoe wat in 4.9 en 4.10 van deze uitspraak is overwogen.

4.5.

Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 5 december 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5429), waarin de Raad heeft geoordeeld dat geen rechtvaardiging bestaat voor het onderscheid naar leeftijd tussen enerzijds bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en ouder en anderzijds jongere bijstandsgerechtigden die ontheven zijn van de verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid, faalt al om reden dat dit onderscheid naar leeftijd ten tijde hier van belang niet meer van toepassing is. Uit wat in 4.1 is overwogen, volgt dat nu een onderscheid geldt tussen bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar en bijstandsgerechtigden van 65 jaar en ouder.

4.6.

Voor zover het beroep van appellante inhoudt dat ook in zoverre sprake is van een verboden onderscheid, omdat appellante net als de pensioengerechtigde is ontheven van de verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid, kan ook deze grond niet slagen. Niet ieder onderscheid naar leeftijd levert immers een verboden discriminatie op. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd. Met betrekking tot de vraag of daarvan sprake is, is het volgende van belang.

4.7.

Gelet op artikel 9, eerste lid, van de WWB, gelden de daar genoemde arbeids- en

re-integratieverplichtingen niet voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Deze personen plegen in het algemeen op grond van de Algemene Ouderdomswet een ouderdomspensioen te ontvangen tot een bedrag dat iets boven de bijstandsnorm ligt. Aan dit wettelijk stelsel ligt de bedoeling ten grondslag dat personen van de pensioengerechtigde leeftijd, vanwege ouderdom, zonder meer in aanmerking komen voor een basisvoorziening, waar van personen beneden die leeftijd gevergd kan worden zelf te voorzien in hun levensonderhoud door middel van het verrichten van arbeid. Met het oog daarop gelden voor diegenen die jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd en die aangewezen zijn op bijstand, juist wel de arbeids- en re-integratieverplichtingen. De vrijstelling van deze verplichtingen is voor de bijstandsgerechtigde die jonger is dan 65 jaar per definitie tijdelijk, terwijl die van de oudere per definitie permanent is. Bij de jongere blijft per definitie het doel en de verplichting bestaan om zoveel mogelijk in het eigen levensonderhoud te voorzien.

4.8.

Dit verschil ten aanzien van wie, gelet op de leeftijd, wel en niet gevergd kan worden in eigen onderhoud te voorzien door middel van het verrichten van arbeid vormt een redelijke en objectieve grond voor het onderscheid tussen de arbeids- en re-integratieverplichtingen van de oudere en de jongere.

4.9.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan toch bijstand worden verleend, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Appellante heeft zich beroepen op zeer dringende redenen en stelt dat het plotselinge overlijden van haar moeder het noodzakelijk maakte dat zij naar Suriname ging.

4.10.

Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4337) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Daarbij kunnen die dringende redenen uitsluitend betrekking hebben op degene die, hoewel hij geen recht heeft op bijstand, niettemin voor bijstand in aanmerking wil komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde hier van belang zeer dringende redenen hebben voorgedaan. Reeds omdat de redenen van het verblijf in het buitenland niet haar persoon betreffen is er geen reden voor toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB.

4.11.

De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat de bescherming die artikel 8 van het EVRM biedt niet zo ver strekt dat het college verplicht was appellante financieel in staat te stellen om de uitoefening van het recht op gezinsleven mogelijk te maken gedurende de tijd dat zij - vanwege het overlijden van haar moeder - in Suriname heeft verbleven. Hetgeen appellante daartegen heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.12.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken over de periode van 21 september 2011 tot en met 16 oktober 2011.

5.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en P.W. van Straalen en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD