Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-5370 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid naar de klasse van 55 tot 65%. Inkomsten uit arbeid. Schending inlichtingenplicht. Schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5370 WAZ

Datum uitspraak: 14 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

7 september 2012, 12/1353 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Juristen B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het Uwv hebben vervolgens op elkaars standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding bij de Raad bekend onder nummer 13/5547 WAZ, plaatsgevonden op 2 april 2014. Namens appellant is Van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Ter afdoening zijn de gedingen weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 31 augustus 1994 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1998 is deze uitkering omgezet naar een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

1.2. Naar aanleiding van een uitgebracht onderzoeksrapport in verband met een fraudemelding heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant vanaf 1 oktober 2004 op vrijdag, zaterdag en zondag werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf van zijn partner op de Beverwijkse Bazaar. Op basis daarvan heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2011 aan appellant meegedeeld dat de aan hem toegekende WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, onder toepassing van artikel 58 van de WAZ in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 1 januari 2005 wordt uitbetaald naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Over de periode van 1 januari 2005 tot en met

31 december 2009 wordt van appellant de onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 23.923,32 teruggevorderd. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Bij uitspraak van heden in zaak 13/5547 WAZ heeft de Raad het besluit van het Uwv van 28 februari 2013, (onder meer) inhoudende de weigering om terug te komen van het besluit van 5 april 2011, in stand gelaten.

1.3. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 13 september 2011 aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 1 januari 2010 wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 19 september 2011 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de teveel ontvangen uitkering over de periode van 1 januari 2010 tot 1 oktober 2011 tot een bedrag van € 12.643,46 bruto van hem wordt teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 27 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 13 en 19 september 2011, onder verwijzing naar het rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 23 maart 2012, gegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat een praktische schatting per 1 januari 2010 leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% en dat in verband daarmee de terugvordering wordt verlaagd naar een bedrag van € 10.434,62 bruto.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat, gelet op het fraudeonderzoek, de schatting van het Uwv dat appellant vanaf 2004 minimaal 20 uur per week werkzaam was in de onderneming(en) van zijn partner niet onredelijk is. Deze werkzaamheden dienen volgens de rechtbank te worden aangemerkt als arbeid van economische betekenis en met een aantoonbare loonwaarde. Dat appellant feitelijk niet op de loonlijst stond van de onderneming(en) laat onverlet dat hij met zijn werkzaamheden een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de forse omzet en de behaalde winsten van deze onderneming(en), waarvan zijn partner directeur/grootaandeelhouder was, zodat kan worden gesproken van indirecte verrijking door appellant. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op grond van artikel 63 van de WAZ gehouden is hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen en dat van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien niet is gebleken.

3.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat het Uwv op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, dan wel een begin van bewijs heeft ingebracht, dat hij op de datum in geding zou hebben gewerkt. Appellant stelt dat hij feitelijk geen inkomsten heeft ontvangen en dat het maatmanloon en de feitelijk ontvangen inkomsten daarom onjuist zijn berekend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht met toepassing van artikel 58 van de WAZ met ingang van 1 januari 2010 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft vastgesteld naar de klasse van 55 tot 65%. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Het ter zake gegeven oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden door de Raad onderschreven.

4.2.

Vanaf 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellant in verband met inkomsten uit arbeid naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse uitbetaald. Op grond van artikel 58 van de WAZ kan de anticumulatieregeling slechts gedurende een aaneengesloten periode van vijf jaar worden toegepast. Na afloop van de periode van vijf jaar wordt de arbeid aangemerkt als passende arbeid en wordt de uitkering herzien of ingetrokken. Dat betekent dat het Uwv bij het bestreden besluit per 1 januari 2010 terecht een praktische schatting heeft uitgevoerd. Door appellant wordt de bevoegdheid van het Uwv om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 alsnog een schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant uit te voeren en, indien de uitkomsten daarvan aanleiding zouden geven, tot terugvordering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 over te gaan niet bestreden.

4.3.

Met betrekking tot het standpunt van appellant dat hij geen werkzaamheden heeft verricht en geen inkomsten heeft verworven uit het bedrijf van zijn partner wordt verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5630). Daarin is overwogen dat het kortingsartikel 58 van de WAZ in beginsel slechts toegepast kan worden in geval van inkomsten uit arbeid die de uitkeringsgerechtigde zelf heeft genoten. De Raad heeft daarbij echter te kennen gegeven zich bijzondere omstandigheden te kunnen voorstellen, waarin ondanks het feit dat betrokkene zelf uit arbeid geen inkomsten heeft genoten, hiervan voor de toepassing van genoemd wetsartikel toch sprake is. De Raad denkt daarbij aan gevallen waarin de betrokkene, hoewel de arbeid om niet wordt verricht zichzelf toch hetzij direct, hetzij indirect verrijkt. Voor een dergelijke toepassing is tenminste vereist dat (een begin van) bewijs wordt aangedragen dat betrokkene op een of andere wijze baat heeft getrokken uit de verrichte werkzaamheden. Met het frauderapport van 11 januari 2011 en de daarbij behorende bijlagen, waarin onder meer de verklaringen van appellant en zijn partner zijn opgenomen, is voldoende bewijs voorhanden dat aan de door appellant verrichte werkzaamheden een loonwaarde in het economisch verkeer kunnen worden toegekend, ook al stelt appellant hiervoor geen beloning te hebben ontvangen. De omvang en reikwijdte van die werkzaamheden op zich zijn bij het besluit van

5 april 2011 tot toepassing van de anticumulatie al aan de orde geweest en spelen geen rol meer bij de thans in geding zijnde toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ. De beslissingen van de belastingdienst op het verzoek van appellant om de meewerkaftrek over de jaren 2007 en 2008 te laten vervallen, doen daar evenmin aan af.

4.4.

Wat betreft de berekening van de loonwaarde is het Uwv uitgegaan van een schatting over de jaren 2007 tot en met 2009. Nu appellant van zijn werkzaamheden geen melding heeft gedaan aan het Uwv, is sprake van schending van de inlichtingenplicht. In dat geval mag het Uwv uitgaan van een redelijke schatting, als de omvang niet meer kan worden bepaald aan de hand van betrouwbare schriftelijke gegevens. Voor het bepalen van het winstaandeel in het bedrijf van zijn partner, dat aan appellant kan worden toegerekend, is het Uwv niet uitgegaan van het aantal uren gerelateerd aan de meewerkaftrek, maar van de eigen verklaring van appellant dat hij 20 uren per week (vrijdagmiddag, zaterdag en zondag) aanwezig was in de onderneming van zijn partner. Nu geen andersluidende concreet verifieerbare schriftelijke gegevens voorhanden zijn, kon het Uwv in redelijkheid van deze schatting uitgaan. De door appellant in hoger beroep aangevoerde grond dat hij, gelet op de door het Uwv vastgestelde urenbeperking van maximaal vier uur per dag, niet in staat is gedurende meer uren werkzaam te zijn kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat het Uwv van de eigen verklaring van appellant en van feitelijke waarneming mocht uitgaan.

4.5.

Omdat in hoger beroep geen gronden zijn aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de terugvordering, is er geen aanleiding om het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank niet te volgen.

4.6.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over het door appellant reeds terugbetaalde bedrag wordt afgewezen.

5.

Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

RB