Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-4892 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Weigering) overname van betalingsverplichtingen. Betaling van loon en vergoedingen op basis van het overeengekomen arbeidscontract had ruim voor de faillissementsdatum kunnen plaatsvinden. Appellant heeft onvoldoende adequate actie in de richting van werkgeefster ondernomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4892 WW

Datum uitspraak: 14 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 juli 2012, 12/56 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2014. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 1 januari 2011 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden in dienst getreden van [naam v.o.f.](werkgeefster). Op 7 februari 2011 heeft appellant zich ziek gemeld. Na die datum heeft appellant geen werkzaamheden meer voor werkgeefster verricht. Op 15 februari 2011 is appellant in dienst getreden van een nieuwe werkgever. Appellant en werkgeefster hebben vervolgens getwist over de beëindiging van het dienstverband en over de loonbetalingen waar appellant nog recht op zou hebben.

1.2. Op 21 oktober 2011 is werkgeefster in staat van surseance verklaard. Op

8 november 2011 is werkgeefster failliet verklaard. Op 17 november 2011 heeft appellant bij het Uwv een verzoek ingediend om overneming van betalingsverplichtingen van werkgeefster.

2.1. Bij besluit van 22 november 2011 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW), een zogenoemde faillissementsuitkering.

2.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 november 2011. Bij beslissing op bezwaar van 6 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 62 van de WW heeft het Uwv gesteld dat de betaling van loon en vergoedingen op basis van het overeengekomen arbeidscontract kort na

23 februari 2011, dus ruim voor de faillissementsdatum had kunnen plaatsvinden. Er is daarom volgens het Uwv geen sprake van een situatie dat appellant het loon louter door het faillissement niet heeft kunnen ontvangen. Het Uwv heeft tevens gesteld niet te zullen terugkomen van de toekenning die reeds heeft plaatsgevonden.

3.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende voortvarend en gericht actie heeft ondernomen. Het niet geldend maken van de loonvordering van appellant is daarom niet uitsluitend het gevolg geweest van de betalingsonmacht van werkgeefster.

4.

De stellingen van appellant in hoger beroep komen er op neer dat appellant alles heeft gedaan wat in zijn vermogen lag om werkgeefster tot betaling over te laten gaan.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke regeling wordt verwezen naar onderdeel 5 van de aangevallen uitspraak en de bladzijden 2, 3 en 4 van het bestreden besluit.

5.2.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het vaste rechtspraak van de Raad dat een werknemer geen recht heeft op een faillissementsuitkering als hij zijn loonvordering reeds geldend had kunnen maken toen de werkgever nog niet in betalingsonmacht verkeerde. Dit brengt mee dat van de werknemer wordt verlangd dat hij tijdig, voldoende voortvarend en gericht actie onderneemt om de werkgever ertoe te brengen de vordering alsnog te voldoen (zie bijvoorbeeld CRvB 13 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5639).

5.3.

Appellant heeft direct na het beëindigen van zijn werkzaamheden werkgeefster aangesproken op diens verplichtingen. Daarbij heeft hij werkgeefster ook verzocht om tot betaling over te gaan. Na enige tijd heeft appellant via de vakbond rechtshulp ingeschakeld. Dat heeft wederom geleid tot enige (schriftelijke) maningen aan het adres van werkgeefster. Toen daar uiteindelijk onvoldoende op werd gereageerd, heeft appellant werkgeefster op

14 juni 2011 gedagvaard bij de kantonrechter tegen 12 juli 2011. Naar aanleiding van die dagvaarding zijn partijen in overleg getreden en is gesproken over de omvang van de vordering en de manier waarop werkgeefster aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen. Tot een zitting is het echter niet gekomen, maar partijen hebben uiteindelijk ook geen overeenstemming bereikt. De laatste e-mail die op die ingezette procedure betrekking heeft, dateert van 27 juli 2011 en is afkomstig van werkgeefster.

5.4.

Vervolgens is werkgeefster wederom gedagvaard bij de kantonrechter, ditmaal op

18 augustus 2011. Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2011, waarna de kantonrechter vonnis heeft gewezen op 20 september 2011. In dat vonnis is onder meer geoordeeld dat appellant tot 15 januari 2011 recht heeft op betaling van loon en overige emolumenten. De kantonrechter heeft, daarvan uitgaande, een bedrag van € 1.897,70 toegewezen.

5.5.

Uit deze beschrijving van de gang van zaken volgt dat na de dagvaarding van werkgeefster van 14 juni 2011 appellant de procedure heeft ingetrokken, zonder dat resultaat was bereikt. Dat appellant als onderdeel van afspraken naar aanleiding van die dagvaarding zijn procedure zou intrekken, blijkt niet uit de stukken. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er een goede reden was om de procedure die was gestart met de dagvaarding van 14 juni 2011 niet door te zetten. Het Uwv heeft dan ook terecht geconcludeerd dat appellant onvoldoende adequate actie in de richting van werkgeefster heeft ondernomen.

5.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet op deze uitkomst is veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) G.J. van Gendt

sg