Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1665

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-3527 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:2453, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WAO-uitkering. Uit de door het Uwv overgelegde betalingsgegevens, bezien in samenhang met het besluit van 10 november 2005, waarin de aan appellante toekomende uitkeringsbedragen staan genoemd, stelt de Raad vast dat de door appellante ontvangen netto betalingen, die zij telkens tweemaal per maand ontving, de haar toegekende bruto WAO-uitkering te boven gingen. Het moet haar dan ook redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat er tot een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3527 WAO

Datum uitspraak: 14 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 mei 2012, 11/3357 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Kroatië (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. J. Vis, werkzaam bij ABVAKABO FNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 april 2014. Namens appellante is mr. Vis verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft, voordat zij in 1999 arbeidsongeschikt werd, naast elkaar gewerkt als schoonmaakster en keukenassistente. Met ingang van 10 juni 1999 is aan haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verstrekt, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In de jaren daaropvolgend is die uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, van 35 tot 45%, en van 45 tot 55%. Bij besluit van 10 november 2005 is de WAO-uitkering met ingang van

1 december 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 16 december 2009 heeft het Uwv de betaling van de WAO-uitkering met ingang van 1 december 2009 geschorst, omdat appellante twee uitkeringen zou ontvangen. Bij besluit van 14 december 2010 heeft het Uwv aan appellante bericht dat zij in de periode van

1 februari 2005 tot en met 30 november 2009 geen recht had op een WAO-uitkering. Voorts is daarbij medegedeeld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij in die periode twee WAO-uitkeringen ontving en dat de uitkering tot een bedrag van € 25.737,91 wordt teruggevorderd. Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift heeft het Uwv bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit) het besluit van 14 december 2010 herroepen in die zin dat een bedrag van € 25.667,96 wordt teruggevorderd. Het Uwv heeft geen dringende reden aanwezig geacht om van terugvordering af te zien.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit de door het Uwv vervaardigde overzichten moet worden geconcludeerd dat aan appellante aanzienlijk hogere bedragen zijn uitbetaald dan waarop zij recht heeft. De rechtbank is uitgegaan van de betalingsgegevens van het Uwv in de betreffende periode en heeft de selectie van gegevens van appellante niet doorslaggevend geacht en geoordeeld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij teveel uitkering ontving. De rechtbank heeft zich verenigd met de terugvordering en geen dringende reden aanwezig geacht om van terugvordering af te zien. Dat het Uwv eerder actie had moeten ondernemen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dan wel strijd met enig ander beginsel van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken.

3.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het haar, gelet op de samenloop in uitkeringen, redelijkerwijs niet duidelijk had moeten zijn dat zij teveel uitkering ontving en zij niet verantwoordelijk is voor de fouten van het Uwv.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft appellante haar beroepsgrond tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet langer gehandhaafd. Nu appellante evenmin betwist dat zij ten onrechte dubbele uitkering heeft ontvangen, staat in hoger beroep slechts ter beoordeling of het door appellante bedoelde vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel zich tegen terugvordering verzet en of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

4.2.

Uit de door het Uwv overgelegde betalingsgegevens, bezien in samenhang met het besluit van 10 november 2005, waarin de aan appellante toekomende uitkeringsbedragen staan genoemd, stelt de Raad vast dat de door appellante ontvangen netto betalingen, die zij telkens tweemaal per maand ontving, de haar toegekende bruto WAO-uitkering te boven gingen. Het moet haar dan ook redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat er tot een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt.

4.3.

Appellante heeft gesteld dat de dubbele ontvangsten voor haar reden zijn geweest om enkele malen telefonisch contact met het Uwv op te nemen, maar het Uwv kan, ook na onderzoek van de gegevens van het klantcontactcentrum, een door appellante gezocht contact niet bevestigen. Nu daarover op geen enkele wijze enig gegeven bekend is geworden, is dit ten enenmale onvoldoende om een beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel te honoreren. Daarvoor is immers volgens vaste rechtspraak vereist een situatie waarin van de zijde van het Uwv uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde schriftelijke mededelingen of toezeggingen aan appellante zouden zijn gedaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 juli 2008 ECLI:NL:CRVB:2008:BD7461).

4.4.

Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is evenmin gebleken. Volgens vaste rechtspraak (zie eveneens de onder 4.3 genoemde uitspraak) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor de betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Die zijn niet gesteld.

4.5.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

RB