Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
13-6357 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim. Door bij het nadere besluit de disciplinaire maatregel van ontslag jegens verzoeker weer te handhaven en hem subsidiair wederom ontslag te verlenen wegens onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf voor het plegen van een misdrijf komt het nadere besluit in strijd met de bindende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Voor het treffen van een voorziening zoals door verzoeker verzocht ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding, omdat het primaire ontslagbesluit in stand is gebleven. Het ligt op de weg van de minister om uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 januari 2014

13/6357 AW-VV, 13/6358 AW

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

De Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 26 september 2013, 12/7483 (aangevallen uitspraak).

Bij besluit van 13 november 2013 (nadere besluit) heeft de minister ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar tegen het besluit van

1 maart 2012.

Mr. M.S. Yap, advocaat, heeft namens verzoeker tegen het nadere besluit bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant beroep ingesteld en tevens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek naar de Raad doorgezonden.

Op verzoek van de voorzieningenrechter van de Raad heeft de minister schriftelijk gereageerd op een van de gronden tegen het nadere besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Yap. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M. Rentema-Westerhof en mr. P.M. van der Wijden.


OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 1 maart 2012 is verzoeker, die was aangesteld als [naam functie] bij het ministerie van Defensie, per 1 april 2012 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij besluit van 11 december 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het disciplinaire ontslag ongegrond verklaard; daarbij heeft de minister als subsidiaire ontslaggrond toegevoegd de onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens het plegen van een misdrijf.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank is de minister gevolgd in zijn standpunt, dat de aan verzoeker verweten gedragingen plichtsverzuim vormen ook al hebben deze zich afgespeeld in de privésfeer. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de disciplinaire maatregel van ontslag niet evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De motivering voor dit laatste bracht de rechtbank ook tot het oordeel dat de minister niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om ontslag te verlenen wegens onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf voor het plegen van een misdrijf.

1.3. Bij het nadere besluit is met een enigszins uitvoeriger motivering het disciplinaire ontslag wederom gehandhaafd en subsidiair wederom ontslag verleend wegens onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf voor het plegen van een misdrijf.

1.4. Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen. Zijn verzoek strekt er toe de werking van het nadere besluit te schorsen, waarbij verzoeker primair zijn functie per direct kan hervatten en subsidiair zijn bezoldiging zal ontvangen.

2.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb

mede betrokken wordt een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit waarmee niet is tegemoet gekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan de voorzieningenrechter ter zake van dat besluit op verzoek een voorlopige voorziening treffen.

3.1.1.

Gelet op verzoekers financiële belang en het geringe perspectief op het vinden van nieuwe betaalde arbeid is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang. Dat de voorzieningenrechter van de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat verzoeker geen voldoende spoedeisend belang had, leidt niet tot een ander oordeel.

3.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, in dit geval het nadere besluit, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat er ook overigens geen beletselen zijn om uitspraak te doen in deze hoofdzaak.

3.3.

Het nadere besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak dient, nu terzake geen schorsende werking is verzocht, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek als een gegeven te worden beschouwd. Dit betekent dat de voorzieningenrechter ervan uit moet gaan dat de aan verzoeker in het kader van het ontslag verweten gedragingen plichtsverzuim vormen. Ter beoordeling staat dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat het nadere besluit in rechte stand houdt.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank dat de disciplinaire maatregel van ontslag niet evenredig is aan het verweten plichtsverzuim is uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud gegeven. Dit geldt ook voor het oordeel van de rechtbank dat de minister niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om ontslag te verlenen wegens onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf voor het plegen van een misdrijf. Deze overwegingen binden de minister dus bij de uitvoering van de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in zijn zienswijze, dat deze oordelen van de rechtbank gelezen moeten worden in samenhang met de motivering van het bestreden besluit, zodat de aangevallen uitspraak wel ruimte zou geven om met een aanvullende motivering tot dezelfde materiële uitkomst te komen. De bewoordingen van de aangevallen uitspraak laten dit niet toe. Ten slotte vormt ook de omstandigheid dat de rechtbank het primaire ontslagbesluit in stand heeft gelaten, omdat het aan de minister is om te beslissen welke gevolgen hij wil verbinden aan het plichtsverzuim, geen vrijbrief om ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing te nemen die in strijd is met de bindende overwegingen van de rechtbank.

3.5.

Door bij het nadere besluit de disciplinaire maatregel van ontslag jegens verzoeker weer te handhaven en hem subsidiair wederom ontslag te verlenen wegens onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf voor het plegen van een misdrijf komt het nadere besluit in strijd met de bindende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Daarom kan het nadere besluit niet in stand blijven. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het nadere besluit vernietigen.

3.6.

Voor het treffen van een voorziening zoals door verzoeker verzocht ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding, omdat het primaire ontslagbesluit in stand is gebleven. Het ligt op de weg van de minister om uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak.

4.

Er is aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 974,- voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 november 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de minister aan verzoeker het voor het verzoek om voorlopige voorziening

betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) B. Rikhof

HD