Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-6504 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede) terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Uitgaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring, er komt weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken, ontkennen of nuanceren van een dergelijke verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6504 WWB, 12/6505 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

19 oktober 2012, 12/781 en 12/849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante]en[appellant] te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.O. Hovinga, kantoorgenoot van mr. Van Dalen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 22 september 1977 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een drietal tips dat appellanten al jaren samenwonen in de woning van appellante op het [adres], heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn getuigen gehoord, zijn appellanten verhoord, heeft een huisbezoek plaatsgevonden op 9 januari 2012, zijn waarnemingen verricht en zijn gegevens opgevraagd bij het water- en het energiebedrijf. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 22 maart 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluiten van

27 maart 2012 de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 1 augustus 1996. Verder heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 183.329,20 van appellante teruggevorderd en de over deze periode ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 20 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 27 maart 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten gedurende de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft daarvan, in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting, geen melding gemaakt aan het college. Appellante had geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben, samengevat, aangevoerd dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat zij ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant kwam weliswaar bij appellante over de vloer, maar dit rechtvaardigt nog niet de conclusie dat appellant hoofdverblijf had bij appellante, in ieder geval niet de gehele periode vanaf 1 augustus 1996. Verder kunnen appellanten niet worden gehouden aan de door hen tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen omdat die onder druk zijn afgelegd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt wat de intrekking betreft van 1 augustus 1996, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 27 maart 2012, de datum van het besluit waarbij de bijstand is ingetrokken en wat de terugvordering betreft van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2011.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In de periode in geding was appellant grotendeels ingeschreven op andere adressen dan appellante. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.4.

De Raad kent, evenals de rechtbank, zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die appellanten op 8 en 9 januari 2012 ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd. Appellanten hebben verklaard dat zij elkaar hebben leren kennen in 1988/1989. Appellant had toen nog een vriendin met wie hij samenwoonde. Toen de vriendin van appellant ontdekte dat hij ook met appellante omging, heeft zij hem het huis uitgezet. Appellanten hebben beiden verklaard dat de woning van appellante sinds juni 1996, toen de relatie van appellant met zijn vriendin over was, het ‘thuis’ van appellant was. Appellant is toen bij appellante gekomen, en sinds die tijd heeft hij zijn kleding in dozen bij appellante staan. Sinds ongeveer twee jaar huurt appellant een citybox waar ook spullen van appellante zijn opgeslagen. Vanaf 1996 heeft appellant ook een sleutel van de woning van appellante. Appellant werkt als lasser en is op werkdagen vaak ver van huis. Hij verblijft dan in door zijn werkgever betaalde hotels. In het weekend is hij, als hij niet werkt, bij appellante, daar slaapt en eet hij. Gelet op de verklaringen van appellanten kan worden aangenomen dat appellant gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Anders dan appellanten menen is daarbij niet van belang dat appellant vanwege zijn werk vaak alleen de weekeinden in de woning van appellante was, omdat niet gesteld of gebleken is dat hij toentertijd elders zijn hoofdverblijf had.

4.5.

In het algemeen mag uitgegaan worden van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring en komt weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken, ontkennen of nuanceren van een dergelijke verklaring. In dit geval bestaan onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dit uitgangspunt dient te worden gemaakt. De processen-verbaal van de verhoren van appellanten zijn door de sociaal rechercheurs op ambtsbelofte opgemaakt. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij hun verklaringen niet in vrijheid, dan wel onder ontoelaatbare druk hebben afgelegd. Op de door de sociaal rechercheurs gestelde vraag hoe appellante is behandeld tijdens het verhoren heeft appellante geantwoord: normaal en goed. Appellant heeft daarop geantwoord dat hij niet onder druk is gezet. Dat appellanten tijdens de verhoren enige druk hebben gevoeld is aannemelijk, maar er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat tijdens de verhoren een grotere druk is uitgeoefend dan tijdens een dergelijk gesprek als gebruikelijk en nog aanvaardbaar is te beschouwen. Bovendien zijn de verklaringen aan appellanten voorgelezen, waarna zij de verklaringen vervolgens zonder voorbehoud per bladzijde hebben ondertekend. Appellanten hebben tegen de desbetreffende sociale rechercheurs ook geen klacht ingediend over de wijze waarop zij zijn bejegend. De verklaringen van appellanten zijn verder uitvoerig, gedetailleerd en stemmen in grote lijnen met elkaar overeen. Bovendien vinden de verklaringen steun in de verbruiksgegevens van water en energie, in de verklaringen die zijn afgelegd door (voormalige) buurtbewoners, en in de bevindingen van het huisbezoek. Bij dat huisbezoek zijn persoonlijke spullen van appellant, zoals kleding, en verder een televisie, een magnetron en een vaatwasser van appellant aangetroffen.

4.6.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen ook voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Niet in geschil is dat appellante zorg verleende aan appellant in de vorm van het kosteloos bieden van onderdak op haar adres en het gratis gebruik mogen maken van de faciliteiten in de woning. Ook kookte en waste appellante voor appellant. Uit de verklaringen van appellanten blijkt verder dat appellant een bijdrage leverde in de kosten van de huishouding door in het weekend de boodschappen te betalen. Ook nam hij energiekosten en de kosten van een abonnement bij KPN voor zijn rekening en betaalde hij soms vakanties en kleding voor appellante.

4.8.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 leidt tot de conclusie dat appellanten vanaf
1 augustus 1996 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van appellante, waarvan appellante geen melding heeft gemaakt aan het college. Als gevolg daarvan is aan haar vanaf 1 augustus 1996 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Het college was daarom bevoegd de bijstand vanaf 1 augustus 1996 in te trekken. Voorts was het college bevoegd de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2011 van appellante terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. Over de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn geen gronden aangevoerd.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) D. Heeremans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

ew