Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
13-3030 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor inrichtingskosten terecht geweigerd; incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig. Niet aannemelijk gemaakt dat niet kon worden gereserveerd voor de inrichtingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3030 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2013, 12/1220 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Gerards, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 april 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 26 juli 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In verband met zijn verblijf in de kliniek van [A] (stichting) ontvangt hij bijstand naar de norm bij verblijf in een inrichting (inrichtingsnorm). Per 1 januari 2012 heeft appellant een deels gemeubileerde en gestoffeerde kamer betrokken in het kader van het begeleid wonen traject van de stichting.

1.2.

Op 22 december 2011 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de (gedeeltelijke) inrichting van zijn kamer. Bij besluit van 10 januari 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 31 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dat deze kosten moeten worden betaald uit het inkomen en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van deze regel af te wijken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, onder verwijzing naar wat door hem in bezwaar en beroep naar voren is gebracht, aangevoerd dat hij niet in staat was om van de inrichtingsnorm te reserveren voor de gevraagde kosten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard op grond van, samengevat, de volgende overwegingen. De kosten van woninginrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het ter beschikking staande inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij van de inrichtingsnorm niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten. De beroepsgrond dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die in het individuele geval verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt, slaagt derhalve niet.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) S.K. Dekker

IJ