Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
13-859 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:2701, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/859 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2013, 11/3891 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Andel.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 11 november 2004 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Na bezwaar en beroep heeft het college bij besluit van 4 januari 2007 aan appellant over de periode van 11 november 2004 tot en met 25 juli 2005 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij de bijstandsverlening tot en met 25 juli 2005 heeft het college betrokken dat appellant per 26 juli 2005 is uitgeschreven uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam. Appellant heeft tegen het besluit van 4 januari 2007 geen beroep ingesteld.

1.2.

Bij brief van 27 mei 2011 heeft appellant het college verzocht om het besluit van

4 januari 2007 te herzien. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat hij steeds als dakloze in Rotterdam heeft verbleven en daarnaast verklaringen overgelegd van verschillende opvanginstellingen in Rotterdam. Appellant heeft gesteld dat het college in het besluit van 4 januari 2007 ten onrechte als einddatum 25 juni 2005 heeft opgenomen en dat de bijstand vanaf die datum moet worden voortgezet en wel naar de norm van een adresloze verblijvend in een van de erkende opvanginstellingen in Rotterdam.

1.3.

Bij besluit van 30 mei 2011 heeft het college dat verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die een terugkomen van het besluit van 4 januari 2007 rechtvaardigen.

1.4.

Bij besluit van 24 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

24 augustus 2011 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het verzoek van 27 mei 2011 heeft kunnen opvatten als alleen een verzoek om bijstand over de periode van 26 juli 2005 tot en met 4 januari 2007, en niet tevens heeft moeten opvatten als een verzoek om voortzetting van de bijstand vanaf 4 januari 2007 en dus als een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht tot die datum. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu in de brief van 27 mei 2011 uitsluitend en herhaaldelijk om herziening van het besluit van 4 januari 2007 wordt verzocht en appellant ook tijdens de bezwaarschriftprocedure het college er niet op heeft gewezen dat de brief van 27 mei 2011 tevens als een nieuwe aanvraag moest worden beschouwd.

4.2.

Appellant heeft verder betoogd dat onjuist is het oordeel van de rechtbank, dat terecht toepassing is gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, aangezien hij wel degelijk nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.

4.3.

Het verzoek van appellant van 27 mei 2011 strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn besluit van 4 januari 2007. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Het verzoek van appellant moet daarom worden aangemerkt als een herhaling van de aanvraag waarop het college bij besluit van 4 januari 2007 heeft beslist. Op zo’n herhaalde aanvraag is artikel 4:6 van de Awb van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan de aanvraag afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij de herhaalde aanvraag is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan de aanvraag op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Appellant had namelijk in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 12 januari 2005 kunnen aanvoeren dat hij ook na 25 juli 2005 in Rotterdam woonplaats had. De door appellant bij zijn verzoek van 27 mei 2011 overgelegde verklaringen - wat daarvan ook zij - zijn weliswaar gedateerd na 4 januari 2007 maar zien op feiten en omstandigheden die reeds ten tijde van het nemen van het besluit van 4 januari 2007 bij appellant bekend waren. Het college mocht de aanvraag van appellant van 27 mei 2011 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 4 januari 2007. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het college in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

4.5.

Uit 4.1 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

IJ