Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
12-6726 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Nieuwe aanvraag. Ingangsdatum toekenning bijstand. Uiteindelijk heeft appellante door middel van het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening weten te bewerkstelligen dat op 27 november 2012 alsnog een huisbezoek werd afgelegd aan het uitkeringsadres. Onder die omstandigheden is het standpunt van het college dat appellante de twee pogingen die wel zijn ondernomen om een huisbezoek af te leggen moedwillig zou hebben gesaboteerd, niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6726 WWB en 13/5563 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2012, 12/6111 (aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 september 2013, 13/2886 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 31 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat, die ter zitting voor mr. De Boorder heeft waargenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met als geregistreerd adres[adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip in maart 2012 dat op het uitkeringsadres sprake was van regelmatig wisselende bewoners, geluidsoverlast met veel gegil en geschreeuw en dat er sinds twee weken bewoners waren die reden in een auto met een in de tip genoemd kenteken, heeft de afdeling bijzonder onderzoek van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid van de gemeente Den Haag (afdeling BO) een administratief onderzoek gedaan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat op het uitkeringsadres twee stichtingen waren gevestigd, waarin appellante volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel de functie had van secretaris/penningmeester, en dat de aansluitingen voor water, gas en elektra niet op naam van appellante stonden en niet via haar bankrekening werden betaald. Op grond van deze bevindingen hebben medewerkers van de afdeling BO op 29 maart 2012 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een rapportage van 2 april 2012. Daarin is, samengevat en voor zover van belang, het volgende opgenomen. Nadat de medewerkers van de afdeling BO hadden aangebeld, werd de deur geopend door een onbekende man die de medewerkers geen toestemming gaf om binnen te komen, maar toezegde de bewoonster te bellen. Enige tijd later kwam appellante, vergezeld van een andere vrouw, bij de woning aan. Bij aanvang van het huisbezoek hebben de medewerkers van de afdeling BO appellante voorgehouden dat het niet meewerken aan het huisbezoek geen gevolgen zou hebben voor haar uitkering en toestemming gevraagd voor een huisbezoek. Appellante heeft deze toestemming gegeven door ondertekening van een ‘Registratieformulier huisbezoeken (A)’. Tijdens het huisbezoek werd herenkleding aangetroffen waarover appellante heeft verklaard dat die van haar oom was, die met zijn dochter de dag daarvoor was gekomen en zondag weer weg zou gaan. Appellante heeft in een van de slaapkamers de kast dichtgetrokken, geen toestemming gegeven in de daar aanwezige koffer te kijken en de medewerkers gevraagd de kamer te verlaten omdat de spullen in die kamer niet van haar waren. In een kleine kamer tegenover de voordeur stond een wasrek met een paar herenoverhemden, herenondergoed, sokken en een paar hemden. Midden in de kamer lagen vele gevulde plastictassen. Appellante wilde de inhoud daarvan niet tonen. In de keuken hing aan de koelkast het schoolrooster van de nicht van appellante. Over de in de badkamer aangetroffen kleding verklaarde appellante dat de kleren in de wasmachine en de wasmand van haar, van haar oom en van diens dochter zijn. Over de in de badkamer aangetroffen dames- en herenverzorgingsproducten verklaarde appellante dat de damesspullen van haar en van de dochter van haar oom zijn en de herenspullen van haar oom.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

5 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juli 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 29 maart 2012 in te trekken en de over de periode van 29 maart 2012 tot en met 31 maart 2012 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen tot een bedrag van € 63,98. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting relevante informatie over haar woonsituatie niet heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.4.

Op 19 september 2012 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. In het kader van de behandeling van deze aanvraag heeft een consulent van Werkplein Den Haag op 18 oktober 2012 een gesprek met appellante gevoerd en zijn op 19 en 24 oktober 2012 pogingen ondernomen een huisbezoek af te leggen aan het uitkeringsadres.

1.5.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat appellante geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek. Hangende het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellante bij de rechtbank ’s-Gravenhage een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 20 november 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage bij wijze van voorlopige voorziening gelast dat binnen twee weken een huisbezoek zal worden afgelegd aan het uitkeringsadres. Dit huisbezoek heeft plaatsgevonden op 27 november 2012.

1.6.

Op basis van de bevindingen tijdens het huisbezoek heeft het college bij besluit van

10 december 2012 appellante bijstand verleend met ingang van 27 november 2012 (datum huisbezoek). Bij besluit van 11 december 2012 heeft het college het besluit van 31 oktober 2012 ingetrokken.

1.7.

Bij besluit van 4 maart 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 31 oktober 2012 en 11 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2012 ongegrond. Aan die besluitvorming is ten grondslag gelegd dat met het besluit van 10 december 2012 het rechtsgevolg aan de besluiten van 31 oktober 2012 en 11 december 2012 is komen te ontvallen. Ten aanzien van de ingangsdatum van de bijstand heeft het college overwogen dat door toedoen van appellante niet kan worden vastgesteld dat eerder dan op 27 november 2012 recht op bijstand bestond.

2.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4.

Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (12/6727 WWB)

5.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 29 maart 2012 tot en met 5 april 2012 (te beoordelen periode).

5.2.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de anonieme tip onvoldoende aanleiding was om een huisbezoek af te leggen bij appellante. Voor zover zij met deze grond heeft willen betogen dat de bevindingen tijdens het huisbezoek buiten beschouwing moeten blijven, slaagt deze beroepsgrond niet. De door appellante gegeven toestemming voor het huisbezoek was vrijwillig en berust op ‘informed consent’. Uit de rapportage van 2 april 2012 blijkt dat appellante om toestemming is gevraagd en dat haar het ‘Registratieformulier huisbezoeken (A)’ is voorgelegd. Op dit formulier staat vermeld dat zij verklaart dat de Dienst SZW haar heeft verteld dat zij een huisbezoek mag weigeren en dat dit geen directe gevolgen heeft voor haar uitkering. Ook heeft zij op het formulier aangekruist dat zij toestemming geeft voor een huisbezoek door de dienst SZW. Het formulier is gedateerd op 29 maart 2012 en appellante heeft dit formulier ondertekend. Gelet hierop was het huisbezoek rechtmatig en heeft het college de bevindingen daarvan aan de besluitvorming ten grondslag kunnen leggen.

5.3.

Appellante bestrijdt voorts dat zij onvoldoende inlichtingen heeft gegeven over haar woonsituatie om haar recht op bijstand te kunnen vaststellen. Daartoe voert zij aan dat zij een afdoende verklaring heeft gegeven voor het verblijf in haar woning van haar oom en nicht, dat zij geen verdergaande medewerking kon verlenen aan het huisbezoek dan zij heeft gedaan, dat de stichtingen geen actief bestaan leidden en inmiddels zijn uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat de tenaamstelling en betaling van de nutsvoorzieningen inmiddels weer op haar naam zijn gesteld. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is met name relevant dat appellante nog altijd geen duidelijkheid heeft verschaft over de aard en de duur van het verblijf van de oom en nicht in haar woning. Zo heeft zij ten tijde van het huisbezoek verklaard dat haar oom en diens dochter een paar dagen bij haar logeerden. Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellante verklaard dat haar oom tijdelijk was overgekomen uit Suriname en spoedig weer zou vertrekken. Nadat haar gevraagd was dit met reisbescheiden aan te tonen, heeft appellante verklaard dat haar oom een goed verdienende psychiater is die is gevestigd in Den Haag, maar woont in Amsterdam. Gezien de bevindingen van het huisbezoek mocht van appellante worden verlangd dat zij aan de hand van verifieerbare gegevens aannemelijk zou maken waarom en hoelang haar oom en nicht in haar woning verbleven. Door dit na te laten heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien als gevolg daarvan haar woonsituatie in de te beoordelen periode onduidelijk is gebleven, kan het recht op bijstand in die periode niet worden vastgesteld. Gelet hierop kan in het midden blijven of appellante voldoende inlichtingen heeft verstrekt over de op haar adres ingeschreven stichtingen en over de tenaamstelling van nutsvoorzieningen. Ook kan in het midden blijven of appellante, door de inhoud van een kast niet te laten zien, wel haar volledige medewerking heeft verleend aan het afgelegde huisbezoek.

5.4.

Uit 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Aangevallen uitspraak 1 dient daarom te worden bevestigd.

Nieuwe aanvraag (13/5563 WWB)

5.5.

Appellante heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het college haar bijstand had moeten verlenen vanaf de datum waarop zij opnieuw bijstand heeft aangevraagd, dus vanaf

19 september 2012. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante zich op 19 september 2012 heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

5.6.

Appellante heeft tijdens het intakegesprek op 18 oktober 2012 verklaard dat zij alleen woonachtig is op het uitkeringsadres. Met het afgelegde huisbezoek op 27 november 2012 is dat ook vast komen te staan. Het standpunt van het college dat dit in de daaraan voorafgaande periode anders is of kan zijn geweest, kan niet worden onderbouwd met de enkele omstandigheid dat het op 19 en 24 oktober 2012 tweemaal niet is gelukt een huisbezoek af te leggen aan het uitkeringsadres en/of dat het niet gelukt is in de tussen die data gelegen periode contact te krijgen met appellante. Daarbij is van belang dat het voorgenomen huisbezoek op 18 oktober 2012 niet heeft plaatsgevonden door capaciteitsproblemen bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wat in de risicosfeer van het college ligt. Voorts heeft appellante op 19 oktober 2012 schriftelijk gevraagd wanneer een huisbezoek zou plaatsvinden en heeft haar gemachtigde er bij brief van 26 oktober 2012 op aangedrongen alsnog een huisbezoek te laten plaatsvinden. Uiteindelijk heeft appellante door middel van het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening weten te bewerkstelligen dat op 27 november 2012 alsnog een huisbezoek werd afgelegd aan het uitkeringsadres. Onder die omstandigheden is het standpunt van het college dat appellante de twee pogingen die wel zijn ondernomen om een huisbezoek af te leggen moedwillig zou hebben gesaboteerd, niet aannemelijk gemaakt. Nu de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat de woonsituatie van appellante vanaf 19 september 2012 substantieel afweek van haar woonsituatie op 27 november 2012, bestaat er geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de bijstand wordt verleend met ingang van de datum waarop appellante zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

5.7.

De rechtbank heeft wat is overwogen onder 5.6 niet onderkend. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak 2 niet in stand kan blijven. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 44, eerste lid, van de WWB vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2012 ongegrond is verklaard. Aangezien uit 5.6 volgt dat het college bijstand had behoren te verlenen met ingang van 19 september 2012, ziet de Raad tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 10 december 2012 te herroepen en te bepalen dat appellante met ingang van 19 september 2012 bijstand wordt verleend naar de toepasselijke norm.

6.

De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2.922,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

In zaak 12/6726 WWB:

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

In zaak 13/5563 WWB:

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 maart 2013, voor zover daarbij

het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2012 ongegrond is verklaard;

- herroept het besluit van 10 december 2012, bepaalt dat het college aan appellante alsnog

bijstand verleent vanaf 19 september 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 4 maart 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van € 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD