Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
13-1532 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1532 WWB, 13/1533 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 8 februari 2013, 12/4750 (aangevallen uitspraak 1) en van 8 februari 2013, 12/4741 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats 1]

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Groenenberg, die tevens voor appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Zij stond destijds in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats 2] (uitkeringsadres).

1.2.

Appellant ontving tot 1 augustus 2011 studiefinanciering voor een thuiswonende. Hij stond vanaf 21 juli 2011 in de GBA ingeschreven op het uitkeringsadres. Vanaf 1 augustus 2011 ontving appellant studiefinanciering voor een uitwonende. Het voor de studiefinanciering verantwoordelijke bestuursorgaan hield voor de studiefinanciering van appellant als diens woon- en postadres het uitkeringsadres aan. Daarnaast ontving appellant in de periode van juni 2011 tot en met januari 2012, zo blijkt uit de bij de gedingstukken behorende salarisspecificaties, inkomen uit arbeid.

1.3.

Nadat bij het verwerken van een mutatie met betrekking tot de bijstand van appellante was gebleken dat zij sinds 21 juli 2011 niet meer alleen woonachtig was op het uitkeringsadres, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres, zijn bankafschriften van appellanten ingezien, zijn appellanten op

15 februari 2012 gehoord en is appellante op 29 februari 2012 nogmaals gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 16 april 2012 en in een rapport van 17 april 2012.

1.4.

Het college heeft in het resultaat van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 17 april 2012 de bijstand van appellante met ingang van 21 juli 2011 in te trekken op de grond dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met appellant. Tevens heeft het college bij dit besluit de over de periode van 21 juli 2011 tot en met 31 januari 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 5.857,43. Ten slotte heeft het college bij dit besluit appellant hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de terugbetaling van het hiervoor genoemde bedrag en dit bedrag mede van hem teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 17 april 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij hebben in beide zaken aangevoerd dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat in de periode vanaf 21 juli 2011 sprake is geweest van wederzijdse zorg en dat, omdat het standpunt van het college dat appellanten allebei hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hebben gehad is gebaseerd op het standpunt over de wederzijdse zorg, eveneens ten onrechte is uitgegaan van een gezamenlijk hoofdverblijf van appellanten. Appellanten hebben verder in beide zaken aangevoerd dat het college ten onrechte niet is veroordeeld in de kosten van de procedure.

3.2.

Het college heeft in het verweerschrift stelling genomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het gegeven dat appellant de televisie en de internetaansluiting in de woning heeft betaald minder van belang is bij de beoordeling van de door appellant verleende zorg omdat daaruit juist een bepaalde verstrengeling van de spullen en de belangen van appellanten blijkt. Nu het college geen zelfstandig belang had om tegen de aangevallen uitspraken in hoger beroep te komen, kan dit standpunt van het college bij de beoordeling in hoger beroep worden betrokken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het van toepassing zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraken.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt, wat de intrekking betreft, van 21 juli 2011 tot en met 17 april 2012, de datum van het primaire besluit (periode in geding). Ter beantwoording ligt voor de vraag of appellanten gedurende de periode in geding op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.2.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Anders dan appellanten kennelijk menen, heeft het college - en heeft ook de rechtbank - dit criterium afzonderlijk van de hierna te bespreken wederzijdse zorg beoordeeld en niet als daaruit voortvloeiend.

4.2.1.

De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel - en in de overwegingen waarop dat oordeel rust (zie rechtsoverweging 5.1 van aangevallen uitspraak 1) - dat appellanten gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante op het uitkeringsadres. Daaraan voegt de Raad nog toe dat appellant het uitkeringsadres ook als woon- en postadres voor het ontvangen van studiefinanciering gebruikte. Aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is dus voldaan.

4.3.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.3.1.

Evenals de rechtbank volgt de Raad het college in zijn standpunt dat in de periode in geding sprake is geweest van wederzijdse zorg als omschreven in 4.3. In grote lijnen kan wat de rechtbank hierover in rechtsoverweging 6.1 van aangevallen uitspraak 1 heeft overwogen worden gevolgd. Appellanten hebben daartegen in hoger beroep in essentie alleen nog aangevoerd dat appellant weliswaar doordeweeks op het uitkeringsadres heeft overnacht, maar dat met het enkele slapen in de woning geen sprake is van verlening van zorg. Daarmee miskennen appellanten echter wat appellante zelf op 29 februari 2012 heeft verklaard, namelijk dat appellant bij haar slaapt om haar te helpen en dat hij in die zin voor haar zorgt. Deze verklaring spoort met de overgelegde medische gegevens over appellante. Zo blijkt uit de gegevens van de huisarts dat, vanwege angst en stress van appellante, appellant doordeweeks en de zus van appellant in het weekend bij haar bleven slapen. Ten slotte kan het college worden gevolgd in zijn standpunt dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, het gegeven dat appellant de televisie en de internetaansluiting in de woning van appellante heeft betaald wel van belang is bij de beoordeling van de door appellant verleende zorg. Het gaat hier om reguliere in een huishouding voorkomende voorzieningen, die door elk van de tot die huishouding behorende personen kunnen worden gebruikt. Dat appellant de aan die voorzieningen verbonden kosten voor zijn rekening heeft genomen moet eveneens worden gezien als een element van zorg van appellant jegens appellante, die daarvoor destijds zelf niet de financiële middelen had.

4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.3.1 volgt dat appellanten gedurende de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Aangezien de gronden in beroep nagenoeg gelijk waren als de gronden die in hoger beroep zijn aangevoerd, betekent dit dat de rechtbank de beroepen tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestond dus geen aanleiding.

4.5.

De hoger beroepen slagen daarom niet, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat in geen van beide zaken aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD