Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-4351 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting ten aanzien van het onroerend goed in Brazilië en bankrekening. Niet aannemelijk gemaakt dat bijstand alsnog kan worden vastgesteld en tot welk bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4351 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 juli 2012, 11/5339 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Wassenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wassenberg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 27 januari 2010 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij haar aanvraag heeft zij onder meer meegedeeld dat zij bezig is met een echtscheidingsprocedure en dat zij in 2009 in Brazilië heeft verbleven om daar een aanbetaling te doen voor een koopappartement voor haar en haar echtgenoot. Bij haar aanvraag heeft appellante opgegeven geen inkomen of vermogen te hebben en te beschikken over één bankrekening, namelijk met het nummer eindigend op 811 (rekening 1). Deze rekening was inmiddels geblokkeerd. Voor de betaling van de bijstand heeft zij een nieuwe bankrekening geopend, namelijk eindigend op 621 (rekening 2). Bij een nader gesprek op

4 februari 2010 heeft appellante verklaard dat zij een zakelijke bankrekening heeft bij de ABN AMRO-bank samen met haar zus en dat zij geen inkomsten meer heeft als zelfstandige. Bij die gelegenheid is aan appellante de inlichtingenverplichting uitgelegd en uitdrukkelijk meegedeeld dat als zij een uitkering krijgt, zij alle inkomsten moet melden. Het college heeft appellante bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 26 januari 2010.

1.2.

Op 11 januari 2011 heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een anonieme telefonische mededeling ontvangen waarin wordt gemeld dat appellante met haar zus les geeft in de Braziliaanse en Portugese taal, vijf dagen per week en twee uur per dag aan 10 personen à een bedrag van € 135,- per persoon. Verder is onder meer gemeld dat appellante een eigen website heeft die binnenkort uit de lucht wordt gehaald, en dat zij zich inmiddels heeft uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ten slotte is gemeld dat appellante in Brazilië drie huizen in haar bezit heeft, namelijk twee vakantiehuizen en een appartement en 6,5 hectare grond. De huizen staan op naam van appellante en zijn contant betaald. De lening is in Nederland verstrekt op naam van appellante en haar ex-man.

1.3.

Naar aanleiding van deze melding heeft een handhavingsspecialist van de DWI (rapporteur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Bij zijn dossieronderzoek heeft de rapporteur onder meer vastgesteld dat appellante volgens haar verklaring in 2009 een aanbetaling heeft gedaan van € 17.000,- voor twee koopappartementen en maandelijks moet betalen, maar dat sinds oktober 2009 niet meer doet. Zij heeft een bankrekening in Brazilië. Appellante heeft op 14 april 2010 doorgegeven dat zij en haar ex-man in 2005 grond hebben gekocht in Brazilië, dat deze grond nu op naam staat van haar vader en dat de grond van 2007 tot en met december 2009 was verhuurd aan een tante. Eind december 2010 heeft zij meegedeeld dat zij in het verleden vertaallessen heeft gegeven en in november en december 2010 een proefles heeft gegeven aan drie mensen; vanaf januari 2011 geeft zij aan drie mensen les voor € 10,- per uur.

1.4.

De onder 1.3 genoemde onderzoeksbevindingen zijn voor de rapporteur aanleiding geweest om appellante bij brief van 20 januari 2011 op te roepen voor een gesprek op 31 januari 2011. Daarbij heeft de rapporteur appellante gevraagd stukken mee te nemen, onder meer een koopcontract en/of aanbetalingsstukken van haar appartementen en/of huizen in Brazilië, bankafschriften van rekeningen in Brazilië en van alle andere rekeningen vanaf 26 januari 2010, de administratie van werkzaamheden als vertaalster in 2010 en overige informatie of documenten omtrent niet eerder benoemd vermogen in binnen- of buitenland. Dit gesprek heeft op 3 februari 2011 plaatsgevonden.

1.5.

Tijdens het gesprek op 3 februari 2011 heeft appellante onder meer het volgende verklaard. Appellante heeft ongeveer € 17.000,- betaald voor 2 appartementen in [G.] in Brazilië. Dit bedrag heeft zij met haar ex-man geleend van de ABN-AMRO-bank; de restschuld bedraagt nu nog € 25.000,-. Zij heeft een eigendomsakte en deze appartementen staan op haar naam. Zij hebben samen een waarde van ongeveer € 126.000,-. Zij had ook een bankrekening in Brazilië, maar die is opgeheven. Zij heeft ook een stuk grond van ongeveer

1

hectare. Dit heeft zij aangeschaft in 2005 voor ongeveer € 25.000,-. Het stuk grond staat nu te koop voor € 40.000,-. De grond staat op naam van haar vader, maar zij heeft dit bekostigd. Als de grond verkocht wordt, krijgt zij dit hele bedrag in handen. De grond is in 2005 tot en met 2007 verhuurd aan een tante voor ongeveer € 80,- per maand. Dit bedrag ging naar haar moeder voor levensonderhoud.

1.6.

Op 11 februari 2011 heeft appellante telefonisch meegedeeld dat zij wilde stoppen met haar uitkering. Op 15 februari 2011 heeft het college het recht op bijstand van appellante opgeschort en haar een herstelmogelijkheid gegeven om op 24 februari 2011 de eerder genoemde documenten over te leggen. Appellante is niet verschenen en heeft de documenten niet overgelegd. Op 21 februari 2011 had het college een schriftelijke mededeling ontvangen van appellante, gedateerd 16 februari 2011, inhoudende dat zij wilde stoppen met de uitkering.

1.7.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 26 januari 2010 op de grond dat zij een groter dan het bescheiden vrij te laten vermogen had en daaruit de kosten van levensonderhoud kon betalen. Bij besluit van

30 september 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2011 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld en in beroep documenten overgelegd ten aanzien van onroerend goed in Brazilië en rekeningafschriften. Bij besluit van 6 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 30 september herzien en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard op de grond dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante vanaf 26 januari 2010 niet is vast te stellen. De rechtbank heeft het bestreden besluit bij het beroep betrokken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

30 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit niet juist is voor zover het berust op schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van het onroerend goed in Brazilië. Appellante heeft echter niet alle bankafschriften van de rekeningen in Brazilië en Nederland overgelegd, waardoor de financiële situatie van appellante onduidelijk is gebleven en het recht op bijstand niet is vast te stellen.

3.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, althans dat zij er op mag vertrouwen dat zij die was nagekomen. Voorts is haar recht op bijstand wel vast te stellen. Hierbij wijst zij op de in hoger beroep verder overgelegde afschriften van bankrekeningen. Ten slotte mag het college niet terugvorderen zonder terugvorderingsbesluit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In dit geval heeft appellante te kennen gegeven met ingang van 16 februari 2011 geen bijstand meer te willen ontvangen. Op dit standpunt is zij niet teruggekomen. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 26 januari 2010 tot en met 15 februari 2011 (te beoordelen periode).

4.2.1.

Reeds uit de onder 1.5 weergegeven verklaring van appellante volgt dat zij in de te beoordelen periode met de mededelingen weergegeven onder 1.1 en 1.2 niet volledig inzicht heeft gegeven in haar vermogenssituatie en de bankrekeningen waarover zij beschikte. Daaruit volgt dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.2.2.

Het college heeft in het besluit van 3 mei 2011 geen mededeling gedaan omtrent de vraag of appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarom mocht appellante aan de gekozen grondslag van dat besluit niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat schending van de inlichtingenverplichting haar bij heroverweging van dat besluit niet alsnog zou worden tegengeworpen.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120) dienen daarbij ook de door de betrokkene in de fase van beroep en hoger beroep alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken.

4.4.

Ondanks de veelheid van de door appellante in beroep en hoger beroep overgelegde stukken en gegevens stelt het college zich terecht op het standpunt dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet is vast te stellen. Daartoe geldt het volgende.

4.5.1.

Appellante heeft van rekening 2, die op haar naam staat en waarop de betaling van bijstand plaatsvond, alle gevraagde afschriften overgelegd, behoudens afschrift 8 van 2010 over de periode van 27 september 2010 tot en met 25 oktober 2010. Van rekening 1, die eveneens op haar naam staat, heeft appellante geen afschriften, doch alleen mutatieoverzichten overgelegd, gemaakt met internetbankieren. Deze bijeengenomen geven echter geen inzicht in het verloop van deze rekening tussen 30 december 2010 en 10 januari 2011. Op deze rekening zijn zeer vele betalingen gedaan door derden, vaak onder vermelding van een factuur voor bijvoorbeeld werkzaamheden. Voorts zijn vele contante stortingen gedaan op deze rekening. Appellante heeft over rekening 2 gesteld dat in de te beoordelen periode uitsluitend haar zus deze rekening gebruikt heeft omdat zij niet een eigen bankrekening kon openen. Zij heeft daartoe ook een verklaring van haar zus overgelegd.

4.5.2.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd. Integendeel, de mutaties op rekening 2 bevatten overschrijvingen van een rekening van de zus naar deze rekening, zodat de verklaring van het gebruik van rekening 2 ongeloofwaardig is. Verder komen betalingen voor, waaruit blijkt dat die voor appellante bestemd zijn en afschrijvingen van rekeningen op naam van appellante voor geleverde diensten, bijvoorbeeld van een telefoonbedrijf, en een huurbetaling voor het adres waar zij verblijft.

4.5.3.

Hieruit volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode op rekening 2 kasstortingen en betalingen, onder meer voor verrichte werkzaamheden, heeft ontvangen. Appellante heeft voor deze stortingen en betalingen geen verklaring gegeven en geen inzicht gegeven in de werkzaamheden waarvoor betaald is. Evenmin is volledig inzicht gegeven in rekening 1.

4.5.4.

Appellante heeft jaaroverzichten overgelegd over de jaren 2010, 2011 en 2012 van de ABN AMRO-bank. Dit betreft het gezamenlijk overzicht van een privérekening met als laatste nummers 517 (rekening 3) en een spaarrekening met als laatste nummers 413 (rekening 4). Dit zijn zogenoemde en/of-rekeningen op naam van appellante en haar zus. Uit deze overzichten blijkt niet welke mutaties zich in de te beoordelen periode op deze rekeningen hebben voorgedaan. Appellante heeft ten aanzien van rekening 4 wel vervangende afschriften 1, 2 en 3 van 2010 overgelegd. Ten aanzien van rekening 3 heeft zij gesteld dat, omdat deze rekening is opgeheven, geen inzicht meer gegeven kan worden. Indien dit zo zou zijn, is deze situatie ontstaan na de te beoordelen periode aangezien appellante begin 2013 nog wel als rekeninghouder een jaaroverzicht heeft ontvangen. Dat dit inzicht in hoger beroep niet meer gegeven kan worden, komt dus voor haar risico.

4.6.

Reeds uit 4.5.3 en 4.5.4 volgt dat appellante geen volledig inzicht heeft gegeven met betrekking tot feiten en omstandigheden die van belang zijn voor vaststelling van recht op bijstand over de te beoordelen periode. Daardoor heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit recht alsnog kan worden vastgesteld en tot welk bedrag. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep niet. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent de bankrekeningen en het onroerend goed in Brazilië hoeft daarom geen behandeling meer.

4.7.

Terugvordering van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand maakt geen onderdeel uit van de in dit geding bestreden besluiten. De beroepsgrond die daarop betrekking heeft, behoeft dus geen behandeling.

4.8.

Uit 4.2, 4.6 en 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.E.M. Paddenburgh

RB