Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
13-399 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:7144, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Geen melding gemaakt van werkzaamheden in de huishouding en daaruit ontvangen inkomsten, over verblijf in het buitenland, over het bezit van een of meer bankrekeningen, het doen van stortingen op de eigen rekening en het ontvangen van schenkingen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/399 WWB

Datum uitspraak: 13 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2012, 12/1916 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Iwema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Iwema. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 19 oktober 1998 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante kon beschikken over geld en goederen van [R.] (hierna: R), een kennis van haar bij wie zij huishoudelijk werk verrichtte, heeft het college aan twee bijzonder controleurs gevraagd een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. Deze controleurs hebben de resultaten van hun onderzoek neergelegd in een rapport van 8 november 2011.

1.3.

Op basis van deze resultaten heeft het college bij besluit van 10 november 2011, gewijzigd bij besluit van 23 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 april 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 19 oktober 1998 ingetrokken en de over de periode van 19 oktober 1998 tot en met 30 september 2011 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 197.698,74 van haar teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in diverse opzichten haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Volgens het college heeft appellante ten onrechte geen inlichtingen verstrekt over onder meer werkzaamheden in de huishouding en daaruit ontvangen inkomsten, over verblijf in het buitenland, over het bezit van een of meer bankrekeningen, het doen van stortingen op de eigen rekening en het ontvangen van schenkingen van R.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de bewijslast met betrekking tot de saldi op de volgens het college ten onrechte niet gemelde bankrekeningen, gelet op het tijdverloop, ten onrechte bij haar is gelegd. Zij kan niet meer de beschikking krijgen over de bankafschriften, althans dat is veel te duur voor haar. Het college legt dan ook een onevenredige last op haar. Daarom moet het college deze opvragen. Bovendien ging het niet om bankrekeningen van haar, maar om rekeningen van haar kinderen.

4.2.

Uit informatie van de ABN AMRO Bank blijkt dat zowel de sedert 31 maart 1993 bestaande bankrekening eindigend op nummer 638 als de sedert 11 januari 2002 bestaande bankrekening eindigend op nummer 473 op naam van appellante staat. Vaststaat dat appellante aan het college ten onrechte geen mededeling heeft gedaan van deze bankrekeningen. Nu op basis hiervan twijfel bestaat over de juistheid en volledigheid van de door appellante over haar financiële situatie verstrekte inlichtingen, heeft het college aan appellante mogen vragen om de bankafschriften van deze bankrekeningen in te leveren over de periode dat appellante bijstand ontving. Anders dan appellante aanvoert heeft het college daarmee niet een onevenredig zware bewijslast op appellante gelegd. Appellante heeft de bankrekeningen verzwegen en het is dus aan haar om aannemelijk te maken dat zij desondanks recht heeft op bijstand. Appellante heeft van de ene bankrekening een bankafschrift betreffende september 2010 overgelegd en van de andere bankrekening bankafschriften over de periode van oktober 2006 tot en met juli 2011. Dat appellante, zoals zij stelt, niet de beschikking kan krijgen over meer bankafschriften dan zij heeft ingeleverd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door middel van informatie van de bank. Bovendien heeft zij van de ene bankrekening over een langere periode bankafschriften ingeleverd dan van de andere bankrekening.

4.3.

Voorts hebben op één andere, bij het college wel bekende, bankrekening van appellante diverse contante stortingen plaatsgevonden, waarover appellante geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen. Appellante heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om leningen ten behoeve van een specifiek doel, met een concrete afbetalingsverplichting. Bovendien heeft appellante, hoewel het college daarom heeft gevraagd, niet de bankafschriften van deze bankrekening over de periode van 19 augustus 2009 tot en met 1 oktober 2010 overgelegd.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij, wegens het niet verstrekken door appellante van de benodigde informatie, het recht op bijstand vanaf 19 oktober 1998 niet kan vaststellen. Gelet hierop kunnen de overige volgens het college nog bestaande onduidelijkheden in de financiële situatie van appellante verder onbesproken blijven. Dit betekent dat het college bevoegd is de bijstand van appellante met ingang van 19 oktober 1998 in te trekken. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de bijstand vanaf 19 oktober 1998 mocht intrekken.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het college bevoegd is de over de periode van 19 oktober 1998 tot en met 30 september 2011 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering zozeer ingrijpt in haar psychische gesteldheid dat het college wegens het bestaan van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien.

4.6.

Appellante heeft gesteld dat het college, door over een dergelijke lange periode terug te vorderen, handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft aangevoerd dat het zijn beleid is om ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen. Nu appellante haar stelling verder niet heeft onderbouwd, treft deze beroepsgrond geen doel. Ook van misbruik van recht, zoals appellante heeft aangevoerd, is geen sprake.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en Y.J. Klik en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

HD