Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
13-1204 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsaanvraag buiten behandeling gesteld. Op grond van de toen bij het college bekende gegevens kon ... niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat appellanten de eigendom van de betreffende woning inmiddels hadden overgedragen aan hun zoon, en voor welk bedrag, en wat met de opbrengst van de woning is gebeurd. De gevraagde gegevens zijn niet binnen de geboden hersteltermijn verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1204 WWB, 13/1205 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

23 januari 2013 , 12/2797 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. O. Kibaroglu-Batur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 12/6092 WWB en 12/6093 WWB, plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. B. Anik, kantoorgenoot van mr. Kibaroglu-Batur. Tevens is verschenen E. Battaloglu als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. de Vos. In beide gevoegde zaken 12/6092 WWB en 12/6093 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben laatstelijk over de periode van 12 oktober 2010 tot en met

23 augustus 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor gehuwden. Het college heeft de bijstand van appellanten over deze periode ingetrokken en teruggevorderd en per 24 augustus 2011 beëindigd wegens bezit van en opbrengst uit verkoop van onroerend goed in Turkije. Door de uitspraak van heden in de zaken 12/6092 WWB en 12/6093 WWB zijn de betreffende besluiten in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Appellanten hebben op 6 december 2011 een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Bij brief van 28 december 2011 heeft het college aan appellanten verzocht aanvullende gegevens te verstrekken. Verzocht is binnen een week na 28 december 2011 de originele akte van overdracht van het onroerend goed in Turkije over te leggen alsmede een verklaring van de zoon van appellanten dat hij voor de overdracht van het onroerend goed heeft betaald plus het daarbij behorende bankafschrift. Daarbij heeft het college appellanten erop gewezen dat de aanvraag niet verder wordt behandeld als de betreffende gegevens niet tijdig en volledig zijn ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 6 januari 2012 heeft het college de aanvraag van appellanten buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 12 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat het college terecht om de in 1.2 genoemde gegevens heeft verzocht. Op grond van de toen bij het college bekende gegevens kon immers op dat moment niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat appellanten de eigendom van de betreffende woning inmiddels hadden overgedragen aan hun zoon, en voor welk bedrag, en wat met de opbrengst van de woning is gebeurd.

4.3.

Appellanten hebben gesteld dat zij de verzochte gegevens bij de balie van de gemeente hebben afgegeven, maar zij hebben dit niet met een ontvangstbewijs of anderszins aannemelijk gemaakt. Het college heeft nog bericht dat alle ontvangen documenten worden ingescand en originele stukken in het archief worden bewaard. In dit geval is daar echter niets aangetroffen. Het moet er dus voor worden gehouden dat appellanten de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven hersteltermijn hebben overgelegd.

4.4.

Appellanten hebben voorts betoogd dat nog stukken uit Turkije dienden te worden opgevraagd en vertaald. Los van de vraag hoe dit te rijmen valt met het onder 4.3 gestelde, moet worden vastgesteld dat appellanten in ieder geval geen tijdig verzoek om uitstel of verlenging van de aanlevertermijn hebben gedaan.

4.5.

Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat zij later wel de van belang zijnde gegevens hebben overgelegd, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6561) komt, bij een buiten behandelingstelling van een aanvraag, in beginsel immers geen betekenis toe aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. De enkele stelling dat appellanten de gegevens bij de balie zouden hebben afgegeven, maar bij het college in het ongerede zouden zijn geraakt, geven geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellanten buiten behandeling te stellen. In de aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

JvC