Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-4264 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het nadere onderzoek is de onduidelijkheid over appellants woon- en leefsituatie niet weggenomen. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende informatie heeft gegeven over zijn woon- en verblijfplaats. Hiermee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kon worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4264 WWB

Datum uitspraak: 28 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 juni 2012, 11/596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijk Sociale Dienst (ISD) van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 26 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:3002, een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 7 februari 2014 zijn besluit van 15 juli 2011 (bestreden besluit) voorzien van een nadere motivering.

Bij brief van 13 maart 2014 heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, namens appellant een zienswijze op de nadere motivering van het dagelijks bestuur van 7 februari 2014 ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 26 november 2013 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat. Hij volstaat hier met het volgende.

2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat met appellant telefonisch een afspraak is gemaakt voor 14 februari 2011 en dat de brief van 15 februari 2011 met de uitnodiging voor de afspraak op 18 februari 2011 aan het adres van [D.] ([D.]) is verzonden. Dit betekent dat het dagelijks bestuur appellant ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet op die afspraken te verschijnen. Het dagelijks bestuur was daarom niet bevoegd de bijstand met ingang van 10 januari 2011 in te trekken. De Raad heeft het dagelijks bestuur opgedragen het gebrek te herstellen en appellant alsnog in de gelegenheid te stellen om inlichtingen te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie. Aan de hand van de verkregen gegevens dient het dagelijks bestuur te bezien of en, zo ja, naar welke norm, appellant recht heeft op bijstand.

3.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het dagelijks bestuur een nader onderzoek ingesteld. Appellant is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke verklaring over te leggen waarin hij verifieerbaar aantoont waar hij heeft verbleven in de periode van 10 januari 2011 tot 11 mei 2011. Appellant heeft een verklaring van zijn moeder toegezonden, gedateerd

6 januari 2014 en inhoudende dat appellant van 10 januari 2011 tot 11 mei 2011 heeft gewoond aan de [adres] te [woonplaats 2], zijnde het adres van zijn moeder. Appellant heeft verder geen gebruik gemaakt van de gelegenheid nadere informatie te verschaffen.

3.2.

Het dagelijks bestuur heeft vervolgens geconcludeerd dat het nader onderzoek niet de gevraagde duidelijkheid heeft opgeleverd. De toegezonden verklaring van appellants moeder van 6 januari 2014 komt niet overeen met de eerder door appellant afgelegde verklaring dat hij in de te beoordelen periode de nachten doorbracht in een blokhut bij de Karwei en dat hij alleen de weekeinden bij zijn ouders verbleef. Appellant heeft geen verifieerbare gegevens verstrekt aan de hand waarvan hij zijn verblijfplaats in de periode van 10 januari 2011 tot

11 mei 2011 aantoont. Het recht op bijstand in de te beoordelen periode is niet vast te stellen. Met deze nadere motivering heeft het dagelijks bestuur het bestreden besluit gehandhaafd.

4.

Bij brief van 13 maart 2014 heeft appellant gereageerd op de nadere motivering van het bestreden besluit. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij voldoende informatie heeft verschaft. Naar zijn mening is geen sprake van tegenstrijdige verklaringen.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

5.2.

Naar aanleiding van de melding van appellant dat hij niet meer bij [D.] woonachtig was, is op 18 januari 2011 een huisbezoek aan de woning van de ouders van appellant gebracht. Appellant bleek niet aanwezig. Zijn moeder heeft tegenover de medewerker van de ISD verklaard dat de situatie ten opzichte van de afgelopen twee maanden ongewijzigd was en dat appellant af en toe op visite bij zijn ouders kwam. Tijdens een gesprek op 26 januari 2011 heeft appellant tegenover de medewerker van de ISD verklaard dat hij doordeweeks voor zijn zoontje zorgt die bij [D.] woont, dat hij ’s nacht in een blokhut bij de Gamma of de Karwei slaapt en dat hij in de weekeinden bij zijn ouders is. Op 10, 11 en 14 februari 2011 heeft de Unit handhaving van de ISD sociale recherche observaties verricht bij de blokhutten van zowel Gamma als Karwei. Appellant is niet aangetroffen, niet is waargenomen dat de blokhutten gebruikt zijn om te overnachten en ook de fiets van appellant is niet gezien.

5.3.

In het nadere onderzoek heeft appellant uitsluitend een verklaring van zijn moeder overgelegd. Het dagelijks bestuur heeft terecht overwogen dat deze verklaring niet overeenstemt met de eerdere verklaring van appellant. Ook stemt deze verklaring niet overeen met de eerder door appellants moeder afgelegde verklaring tijdens het huisbezoek op

18 januari 2011. Niet valt in te zien waarom het dagelijks bestuur de moeder van appellant niet aan deze verklaring mag houden. Met het nadere onderzoek is de onduidelijkheid over appellants woon- en leefsituatie niet weggenomen. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende informatie heeft gegeven over zijn woon- en verblijfplaats. Hiermee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kon worden vastgesteld.

5.4.

Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit niet op een juiste grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. In aanmerking genomen wat onder 5.2 en 5.3 is overwogen kan de afwijzing van de aanvraag om bijstand wel standhouden op de in die overwegingen besproken grond. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen daarom in stand blijven.

6.

Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.461,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand in totaal: € 2.435,-. Voor een veroordeling in de kosten van appellant in bezwaar bestaat geen aanleiding, nu van het herroepen van het primaire besluit als bedoeld in

artikel 7:15 van de Awb geen sprake is. Om die reden bestaat ook geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van door appellant geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juli 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 juli 2011 in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;

  • -

    bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.R. Schuurman

JvC