Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-6836 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering LEVO Combi rolstoel, met kleine draaicirkel en sta-op functie, die destijds € 35.240,00 kostte. De door betrokkene gevraagde sta-op functie valt in haar situatie niet onder de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo. Nu de door betrokkene gevraagde voorziening buiten de reikwijdte van de op grond van de Wmo op het college rustende compensatieplicht valt, slaagt het hoger beroep zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/151
RSV 2014/181

Uitspraak

12/6836 WMO

Datum uitspraak: 30 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 22 november 2012, 12/2424 en 12/2425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen (appellant)

[betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft haar vader en wettelijk vertegenwoordiger [vader betrokkene] een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Voor betrokkene is verschenen [vader betrokkene]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

H. Mentink en mr. J.C. van Kwawegen.

Na de zitting heeft de Raad de zaak heropend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het geding is nogmaals aan de orde gesteld ter zitting van 19 maart 2014. Voor betrokkene is weer verschenen [vader betrokkene]. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

H. Mentink en E.L.R. van den Haak.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft in oktober 2011 een aanvraag ingediend voor een nieuwe rolstoel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) omdat haar oude rolstoel aan vervanging toe was. Zij heeft op de aanvraag aangegeven dat alleen de LEVO Combi rolstoel geschikt is vanwege de kleine draaicirkel en de sta-op functie. Deze rolstoel kostte destijds

€ 35.240,00.

1.2. Bij besluit van 11 juni 2012 heeft appellant aan betrokkene een financiële tegemoetkoming van € 14.119,00 toegekend bedoeld voor de aanschaf van een rolstoel van het merk Quickie Groove. Met afschrijvingskosten over 60 maanden is in totaal een bedrag van € 20.880,22 toegekend. Het bezwaar tegen dit besluit heeft appellant bij besluit van

13 september 2012 (besteden besluit) ongegrond verklaard.

1.3. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tevens

de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek van betrokkene om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen en op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter oordeelde onder meer dat een rolstoel zonder sta-op functie betrokkene zou beperken in haar zelfredzaamheid bij het uitvoeren van activiteiten en dat daaraan niet afdoet dat betrokkene daarvoor hulp heeft. Bovendien waren de oude rolstoelen waarover zij beschikte wel met die functie uitgerust. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk was gemotiveerd, heeft daarom het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en heeft appellant opgedragen binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen waarbij tevens in de oordeelsvorming betrokken moest worden de wens van betrokkene om over een rolstoel te beschikken met een kleine draaicirkel.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de sta-op functie vooral een therapeutisch doel dient en daarom niet valt binnen de reikwijdte van de op grond van de Wmo op appellant rustende compensatieplicht.

3.2.

Betrokkene heeft in hoger beroep onder meer gesteld dat het college ten onrechte geen recente medische gegevens aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

4.1.

Ter zitting van de Raad op 22 mei 2013 is met partijen afgesproken dat de gemeente nader medisch onderzoek zou laten verrichten naar de noodzaak van een rolstoel met sta-op functie door een revalidatiearts die door betrokkene aangewezen zou worden.

4.2.

Op 2 juli 2013 is onderzoek verricht door E.L.D. Angenot, revalidatiearts. Deze arts vermeldt onder meer dat betrokkene volledig gebonden is aan een elektrische rolstoel. Vanwege een hersenvliesontsteking heeft zij een spastische tetraparese en ondervindt zij ernstige cognitieve en gedragsmatige gevolgen. Voorts heeft zij een dwarslaesie. In beide armen is sprake van paralyse. Zij kan de linkerhand in de ruimte bewegen en heeft grijpfunctie in die hand. Zij is volledig ADL afhankelijk. Deze arts is blijkens zijn rapport van 5 augustus 2013 tot de conclusie gekomen dat een rolstoel met sta-op functie betrokkene grote functionele mogelijkheden zou bieden.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In dit geding staat primair ter beoordeling of appellant met de toekenning van een financiële tegemoetkoming waarmee een rolstoel van het merk Quickie Groove zonder sta-op functie kon worden aangeschaft, de beperkingen die betrokkene ondervindt in haar zelfredzaamheid voldoende heeft gecompenseerd als bedoeld in artikel 4 van de Wmo.

5.2.

Artikel 4 van de Wmo verplicht het college aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn.

5.3.

Anders dan de voorzieningsrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door betrokkene gevraagde sta-op functie in haar situatie niet valt onder de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo. In artikel 4 van de Wmo zijn vier prestatievelden vermeld, waarop de door appellant te verstrekken voorzieningen gericht moeten zijn: het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden.

5.4.

Dat met een sta-op functie op de rolstoel de functionele mogelijkheden van betrokkene worden vergroot wordt niet ontkend, ook niet door appellant. Het is ook begrijpelijk dat betrokkene de wens koestert om zelf zoveel mogelijk handelingen te kunnen verrichten. De vraag die voorligt is evenwel of betrokkene met de sta-op functie wordt gecompenseerd in de beperkingen die zij ondervindt in één van de hiervoor onder 5.3 genoemde prestatievelden. Aangezien betrokkene in het geheel niet in staat wordt geacht om zelfstandig een huishouden te voeren en de huishoudelijke taken volledig worden overgenomen door de hulp(en), kan de sta-op functie niet worden aangemerkt als een voorziening die dient om de door betrokkene ondervonden beperkingen bij het voeren van een huishouden te compenseren. Evenmin is in te zien dat een sta-op functie op zichzelf zou kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van betrokkene op één van de andere drie prestatievelden. Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat appellant de aanvraag van betrokkene terecht heeft gehonoreerd met een financiële tegemoetkoming in de kosten van een rolstoel zonder sta-op functie.

5.5.

Nu de door betrokkene gevraagde voorziening buiten de reikwijdte van de op grond van de Wmo op het college rustende compensatieplicht valt, slaagt het hoger beroep zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 september 2012 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F Wagner en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) G.J. van Gendt

QH