Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1625

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
13-4796 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Boete. Niet woonachtig op het GBA-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4796 WSF

Datum uitspraak: 7 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2013, 13/2478 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2014. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Glas. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft, voor zover hier van belang, voor het jaar 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2. Op 8 januari 2012 heeft appellante aan de Minister doorgegeven dat zij per die datum was verhuisd naar het adres [adres] te [woonplaats]. Op dat adres was zij sinds 3 oktober 2011 ingeschreven in - destijds - de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA).

1.3. Op 25 september 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de Minister een huisbezoek afgelegd op het door appellante bij haar adreswijziging opgegeven adres om te controleren of zij op dit adres woonachtig was. Van het huisbezoek is op 8 oktober 2012 een rapport opgemaakt.

1.4.1. De Minister heeft op basis van het onder 1.3 genoemde rapport de aanvankelijk over 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering bij besluit van 23 oktober 2012 herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over de periode januari tot en met september 2012 aan appellante te veel betaalde bedrag van € 1.714,86 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.2. Bij brief van 23 oktober 2012 heeft de Minister aan appellante meegedeeld voornemens te zijn een boete op te leggen van € 857,43.

1.5. Appellante heeft tegen het besluit van 23 oktober 2013 bezwaar gemaakt en naar aanleiding van de in 1.4.2 genoemde brief een zienswijze ingediend.

1.6. De Minister heeft het tegen het besluit van 23 oktober 2013 namens appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 15 februari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit het onderzoek dat door de controleurs is verricht is gebleken dat appellante niet woont in het appartement op het adres [adres] te [woonplaats]. Aan de in bezwaar overgelegde verklaringen van de broer van appellante en een buurvrouw wordt geen waarde gehecht nu zij ook al verklaringen hebben afgelegd ten tijde van het huisbezoek. Die verklaringen zijn ondertekend. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud van die eerder afgelegde verklaringen. Van een onrechtmatig huisbezoek is, anders dan appellante meent, geen sprake geweest.

1.7. Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de Minister aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 857,43 omdat zij niet woont op het adres waarop zij in de GBA is ingeschreven.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Minister uit de rapportage van de controleurs de conclusie heeft mogen trekken dat appellante niet op haar GBA-adres woonde. Daarvoor is mede bepalend dat die woning, die één slaapkamer heeft, blijkens zijn inrichting niet geschikt lijkt voor bewoning door een broer en zus. De stelling van appellante dat zij tot 11 augustus 2012 wel woonde op dat adres is niet ondersteund met objectieve verifieerbare stukken. De (nadere) verklaring van de buurvrouw overtuigt niet. Nu appellante sinds oktober 2011 op het GBA-adres ingeschreven staat, mocht de Minister de toegekende studiefinanciering vanaf 1 januari 2012 herzien. Voor toepassing van de hardheidsclausule is geen plaats omdat de toepassing van artikel 9.9 van de Wsf 2000 op de wijze als hier aan de orde in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever.

3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de overgelegde bewijsstukken objectief zijn en aantonen dat zij tot 11 augustus 2012 op haar GBA-adres heeft gewoond. Al uit de eerste verklaring van de broer van appellante is op te maken dat appellante pas in augustus 2012 is vertrokken. De eerste verklaring van de buurvrouw is onvolledig weergegeven. Daarom heeft zij een tweede verklaring afgelegd. Die tweede verklaring wijkt niet af van de eerdere, maar is daarop een aanvulling. Er is, gelet op deze verklaringen, geen twijfel mogelijk dat appellante daadwerkelijk tot 11 augustus 2012 op het GBA-adres woonde. De herziening is daarom over de periode tot die datum punitief. De herziening is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, althans een volledige herziening is onevenredig. Verwezen is naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2534.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1. In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van

10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts geeft dit artikel aan dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.

4.1.2. Ingevolge artikel 1.2 van de Wsf 2000 is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.

4.1.3. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.

4.1.4. Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

4.1.5. Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.

4.1.6. In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan de Minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover van toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.1. De tekst van artikel 9.9, tweede lid, eerste volzin, van de Wsf 2000 moet gelet op de wettelijke systematiek worden gelezen in samenhang met de artikelen 1.1 (studiefinancieringstijdvak), 1.5 en 7.1 van de Wsf 2000. Wat door de wetgever met dit artikellid is beoogd, kan worden afgeleid uit de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet van 17 november 2011, waarin het volgende is aangegeven (Tweede Kamer, 32 770,

nr. 6, p. 9): ‘De regering bevestigt deze leden dat onder de huidige wet het vaststellen van de periode van misbruik inderdaad lastig is. Daarom wordt in het wetsvoorstel de periode van misbruik bepaald vanaf de laatste adresmutatie in de GBA tot het moment van vaststelling misbruik.’ In dit licht bezien levert artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 een wettelijk vermoeden op dat de op een bepaald moment vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 bestaat vanaf het moment waarop de studerende zijn laatste adreswijziging in de GBA heeft ingeschreven. De ratio van dit wettelijk vermoeden is dat het voor de Minister moeilijk is om exact te kunnen vaststellen over welke periode een studerende feitelijk niet op zijn GBA-adres heeft gewoond. Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 creëert derhalve een juridische fictie die is ingegeven door de bewijsnood waarin de Minister verkeert. De studerende heeft de mogelijkheid om het bewijs te leveren dat hij wel degelijk woonde op het betreffende GBA-adres. Indien op grond daarvan onomstotelijk blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is, moet de Minister afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de WSF 2000. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146. Gelet hierop is geen sprake van strijd met artikel 6 van het EVRM.

4.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het adres waaronder zij in de GBA stond ingeschreven. Ook is niet in geschil dat zij op 8 januari 2012 heeft gemeld dat ze op dat adres ging wonen.

4.3.2. In de in 4.2.2 genoemde uitspraak is geoordeeld dat de Minister bij de toepassing van artikel 9.9 van de Wsf 2000 onder omstandigheden aanleiding moet zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Het gaat dan, voor zover hier van belang, om de - uitzonderlijke - situatie waarin de studerende onomstotelijk bewijs heeft geleverd dat hij in (een deel van) de periode waarover de Minister tot herziening is overgegaan wel op het gecontroleerde adres woonachtig was. Anders dan appellante meent rust de bewijslast, gelet op de uit artikel 9.9 van de Wsf 2000 voortvloeiende bewijslastverdeling, niet op de Minister.

4.4.

Appellante is er niet in geslaagd het verlangde bewijs te leveren. De controleurs hebben tijdens het huisbezoek vastgesteld dat de woning zich niet (goed) leent voor bewoning door een broer en zus, nu die woning klein is en maar één slaapkamer heeft, en uit hetgeen is aangetroffen ook niet aannemelijk is dat sprake is (geweest) van bewoning door meerdere personen. Uit de mededeling van de verhuurder van de woning komt naar voren dat appellante en haar broer indertijd samen als woningzoekende waren ingeschreven, maar dat hij alleen naar [adres] te [woonplaats] is verhuisd. Een bewijs dat appellante vervolgens – ook – is verhuisd naar dit adres is er niet. Voor de inwoning is ook geen toestemming gevraagd. Bewijzen van betaling van huur over de periode voorafgaand aan de controle zijn er niet. Zelfs poststukken op haar naam en geadresseerd [adres] te [woonplaats] zijn niet overlegd.

De broer van appellante heeft weliswaar verklaard dat zij sinds de ramadan niet meer bij hem woonde, maar deze verklaring over het moment waarop appellante van het GBA-adres zou zijn vertrokken, levert onvoldoende positief bewijs op met betrekking tot de (gehele) periode voor die datum. In haar verklaring van 27 september 2012 heeft een buurvrouw van appellante gesteld dat sinds de zomer van 2011 op het gecontroleerde adres een man alleen woont. Zij heeft deze verklaring op 30 november 2012 aangevuld in die zin dat zij bij het huis ook appellante “al eens voor de deur had ontmoet” en dat zij appellante “een tijd ervoor meerdere malen in het wooncomplex (had) gezien”. Een aantal keren heeft zij appellante “het huis binnen (…) zien gaan, vaak ’s avonds laat.” Uit de inhoud en de bewoording van deze nadere verklaring blijkt, anders dan appellante blijkbaar meent, niet, althans niet zonder meer, dat appellante in de periode voorafgaand aan de herziening op haar GBA-adres heeft gewoond.

4.5.

Reeds uit het feit dat appellante zelf heeft verklaard tot 8 januari 2012 niet te hebben gewoond op het GBA-adres waaronder zij was ingeschreven, volgt, gelet op artikel 1.2 van de Wsf 2000, dat zij de gehele maand januari 2012 niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Bezien in het licht van alle feiten en omstandigheden is met de twee in 4.4 besproken verklaringen van respectievelijk de broer van appellante en een buurvrouw niet onomstotelijk bewijs geleverd dat appellante in (een deel van) de periode van 1 februari 2012 tot 11 augustus 2012 wel voldeed aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 opgenomen voorwaarde dat zij woonde op het GBA-adres waaronder zij stond ingeschreven.

4.6.

Wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.5 leidt tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering van gronden.

5.

Nu het hoger beroep niet slaagt, en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D. Heeremans

JL