Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1619

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
11-6330 AKW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5618, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eis "in belangrijke mate onderhouden" van in buitenland verblijvende kinderen moet controleerbaar blijken uit bedragen overgemaakt aan de verzorger. In casu niet controleerbaar aangetoond. Terecht en in overeenstemming met consistent toegepast buitenwettelijk begunstigend beleid (beperkte toets rechter) met terugwerkende kracht kinderbijslag herzien en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6330 AKW

Datum uitspraak: 2 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 september 2011, 11/180 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant]te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat, hoger beroep ingesteld

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Voogt en M. Cordes, tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 juli 2010 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 2008 geen recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van zijn in Turkije wonende kind [minderjarige], omdat hij voor haar onderhoud geld heeft overgemaakt aan zijn echtgenote en niet aan haar verzorger. Appellant heeft niet met betalingsbewijzen aangetoond dat hij het bedrag van € 408,00 per kwartaal heeft besteed aan het onderhoud van [minderjarige].

1.2. Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft de Svb van appellant een bedrag van € 2.271,57 teruggevorderd in verband met te veel ontvangen kinderbijslag over de periode vanaf het vierde kwartaal van 2008 tot en met het tweede kwartaal van 2010 en een boete opgelegd van € 200,-.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 13 juli 2010 en van 18 augustus 2010. In het bezwaarschrift van 15 juli 2010 heeft hij aangevoerd dat [minderjarige] in Turkije doordeweeks bij een familielid verblijft en de weekenden en schoolvakanties bij haar moeder doorbrengt. Om praktische redenen en om kosten te besparen wordt door appellant alleen geld naar de moeder van [minderjarige] overgemaakt, die dan zorgt voor de betaling van de kosten van onderhoud. Appellant is van mening dat hij voldoende heeft bijgedragen in de onderhoudskosten van [minderjarige].

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 13 juli 2010 en 18 augustus 2010 gegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb overwogen dat aangenomen wordt dat appellant tijdig heeft doorgegeven dat [minderjarige] was verhuisd en sinds 17 september 2008 niet meer op het bij de Svb bekende adres woonde. Daarom krijgt appellant geen boete. Er zijn echter geen dringende redenen om geheel van herziening en terugvordering af te zien, omdat appellant op de hoogte was van de manier waarop hij het onderhoud van [minderjarige] had moeten aantonen. Wel heeft de Svb de herziening en terugvordering tot de helft van de te veel betaalde kinderbijslag beperkt, omdat de Svb betalingsbewijzen steeds heeft geaccepteerd en appellant er vanuit is gegaan dat de Svb de adreswijziging had ontvangen.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft voldaan aan het vereiste dat een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van het kind of diens verzorger - dient aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij voor zijn niet in Nederland verblijvende kind heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage, omdat de overschrijvingen niet plaatsvonden ten name van [minderjarige] of haar verzorger en de juistheid van de door appellant overgelegde verklaring van de verzorger voor de Svb niet op eenvoudige wijze is te controleren.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald. Hij blijft onveranderd van mening dat hij voldoende bewijs heeft geleverd dat hij daadwerkelijk voor het onderhoud van [minderjarige] heeft betaald en dat de Svb ten onrechte tot herziening en terugvordering van de kinderbijslag is overgegaan.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Nu [minderjarige] gedurende de in geschil zijnde kwartalen niet tot het huishouden van appellant behoorde, heeft appellant eerst aanspraak op kinderbijslag indien hij heeft voldaan aan de bij en krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) gestelde voorwaarde dat hij haar in belangrijke mate heeft onderhouden. Aan deze voorwaarde is voldaan indien een betrokkene een bijdrage in het levensonderhoud heeft geleverd van ten minste € 408,- per kind per kwartaal. Blijkens vaste rechtspraak dient een betrokkene op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij aan deze voorwaarde heeft voldaan. De Svb hanteert het beleid dat gelden voor onderhoud van in het buitenland verblijvende kinderen aan de verzorger van de kinderen moeten worden overgemaakt en de verzorger degene is die de kinderen feitelijk verzorgt. In meerdere brieven aan appellant met informatie over het recht op kinderbijslag heeft de Svb vermeld dat het bedrag dat bestemd is voor onderhoud van [minderjarige] moet worden overgemaakt op de rekening van de verzorger van het kind of aan het kind zelf. Appellant heeft in bezwaar meegedeeld dat hij om hem moverende redenen het geld voor het onderhoud heeft overgemaakt aan zijn echtgenote en niet aan de verzorger van het kind. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat hiermee niet controleerbaar is aangetoond dat appellant [minderjarige] vanaf het vierde kwartaal van 2008 daadwerkelijk heeft onderhouden en hij om die reden vanaf die datum geen recht heeft op kinderbijslag.

4.2.

Uit artikel 14a, eerste lid, van de AKW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van dit artikel is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

4.3.

De Svb heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

4.4.

Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

4.5.

Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van 5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.6.

Niet is gebleken dat de Svb voormeld beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. Met de rechtbank kan worden geoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting de overschrijvingen voor onderhoudsbijdragen ten name van [minderjarige] of haar verzorger te doen plaatsvinden. Het feit dat de Svb aanvankelijk geen actie heeft ondernomen en de kinderbijslag in de relevante periode heeft uitbetaald, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij niet aan de voorschriften voldeed. Appellant is immers onder meer in meerdere brieven op de hoogte gesteld van de voor hem geldende regels. Dit betekent dat appellant ten onrechte kinderbijslag heeft ontvangen en de Svb terecht de aanspraak op kinderbijslag heeft herzien. Er zijn geen dringende redenen om de herziening van de kinderbijslag met terugwerkende kracht verdergaand te beperken dan tot de helft van de periode vanaf het vierde kwartaal van 2008 tot en met het tweede kwartaal van 2010.

4.7.

De Svb is op grond van artikel 24 van de AKW gehouden tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 van de AKW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen volgens vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt. Daarbij wordt erop gewezen dat de Svb bij de invordering van het terug te betalen bedrag rekening moet houden met de financiële draagkracht van appellant.

4.8.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) E. Heemsbergen

RB