Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
14-1563 WAZ-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Herziening WAZ-uitkering. Re-integratievisie. Er bestaat geen redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om bij voorlopige voorziening het Uwv te veroordelen in de gestelde schade van verzoeker ten bedrage van € 60.000,- wordt dan ook afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1563 WAZ-VV

Datum uitspraak: 1 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

17 augustus 2012, 12/618 (aangevallen uitspraak).

Op 19 maart 2014 heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 17 april 2014. Verzoeker is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Aan verzoeker was sinds 29 juni 2004 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 11 april 2007 heeft het Uwv de

WAZ-uitkering van verzoeker met ingang van 12 juni 2007 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 20 april 2007 heeft het Uwv verzoeker in kennis gesteld van de re-integratievisie van 10 april 2007, waarin is vastgelegd dat van hem op dat moment nog geen re-integratie-activiteiten verwacht worden.

1.3. Namens verzoeker is tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en tevens schadevergoeding gevorderd in verband met de onrechtmatigheid van deze besluiten, in de vorm van wettelijke rente, kosten en gevolgschade. Het Uwv heeft verzoeker verzocht om specificatie en onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding. Verzoeker heeft herhaaldelijk om uitstel van specificatie van de door hem gevorderde schadevergoeding gevraagd en het Uwv heeft hem hierop uitstel verleend.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 1 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en verzoeker met ingang van 12 juni 2007 opnieuw een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, waarbij tevens is meegedeeld dat de re-integratievisie van 10 april 2007 niet meer van toepassing is. Het Uwv heeft de door verzoeker in bezwaar gemaakte kosten vergoed tot een bedrag van € 644,-.

1.5. Verzoeker heeft bij brief van 11 mei 2011 zijn verzoek om schadevergoeding nader gespecificeerd en onderbouwd. Hij heeft een bedrag van € 14.045,02 geclaimd in verband met kosten voor de bezwaarprocedure en daaruit voortvloeiende procedures tegen zijn voormalig gemachtigde (korte termijn schade), een bedrag aan lange termijn schade bestaande uit

€ 70.732,- per jaar aan inkomensschade en 2,5% pensioenschade over de inkomensschade vanaf 2007 tot 2025. Daarnaast heeft hij aanvullende eisen geclaimd zoals ontheffing van herkeuringen en zekerstelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van meer dan 80, zekerstelling van inflatiecorrectie, de vrijheid om ongelimiteerd bij te kunnen verdienen naast de WAZ-uitkering, verlenging van de uitkering bij wijziging van de pensioengerechtigde leeftijd en vergoeding voor alle kosten voor toekomstige herstel-, behandel- en

re-integratieplannen. Ten slotte heeft hij een bedrag van € 200.000,- geclaimd voor gederfde levensvreugde. Subsidiair heeft hij te kennen gegeven dat ook met een afkoopregeling onder voorwaarden kan worden volstaan, waarbij de schade wordt geschat op ruim € 2.000.000,- en waarbij na uitbetaling de relatie met het Uwv beëindigd kan worden.

1.6. Bij besluit van 20 juli 2011 heeft het Uwv beslist op het verzoek om schadevergoeding. Hierbij is overwogen dat enkel schade die voortvloeit uit het onrechtmatig gebleken besluit van 11 april 2007 voor vergoeding in aanmerking komt. Het Uwv heeft besloten om de vertragingsschade te vergoeden, bestaande uit de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering, ten bedrage van € 76,63. Daarnaast komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die gemaakt zijn in verband met de behandeling van het bezwaar. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zijn de voor vergoeding in aanmerking komende kostenposten limitatief vastgesteld en zijn forfaitaire bedragen vastgesteld. Bij het besluit van 1 februari 2008 is € 644,- vergoed aan proceskosten, voor een hogere vergoeding heeft het Uwv, gelet op de bepalingen van de Awb in samenhang met het Bpb, geen aanleiding gezien. Voor het overige is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het Uwv heeft te kennen gegeven niet in te gaan op het voorstel om tot een afkoopregeling te komen.

1.7. Bij besluit op bezwaar van 2 februari 2012 (bestreden besluit) is het door appellant tegen het besluit van 20 juli 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het gericht is op de toekenning van het bedrag aan wettelijke rente. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente tot een bedrag van € 92,36 voor zover niet al uitbetaald. Verder heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van verzoeker in beroep en bepaald dat het Uwv het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

3.

Verzoeker heeft hoger beroep ingediend tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt er enerzijds toe dat aan verzoeker bij wijze van voorschot een bedrag van € 60.000 wordt uitbetaald in verband met de te volgen opleiding tot fotograaf bij de Fotoacademie te Amsterdam, welk verzoek moet worden bezien als voorschot op de in hoger beroep geclaimde vergoeding van alle kosten in verband met toekomstige herstel-, behandel- en re-integratieplannen van verzoeker, zoals vermeld onder 1.5. Verzoeker heeft toegelicht dat hij dit bedrag van € 60.000,- onmiddellijk nodig heeft voor de inschrijving en het kunnen volgen van de opleiding tot fotograaf, omdat het volgen van deze opleiding noodzakelijk is voor zijn psychisch herstel. In verband met zijn ernstige psychische klachten, die al jarenlang spelen, is het noodzakelijk dat hij kan beginnen met deze opleiding met daarbij de zekerheid dat hij ook de financiële middelen heeft om de opleiding te kunnen voltooien, om uit de neerwaartse spiraal waarin hij verkeert te kunnen geraken. Anderzijds strekt het verzoek ertoe dat het Uwv nu al tegemoet komt aan de door verzoeker in hoger beroep geclaimde overige aanvullende eisen, zoals eveneens vermeld onder 1.5 ten aanzien van (onder andere) ontheffing van herkeuringen en zekerstelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 of meer en de vrijheid om (ongelimiteerd) bij te kunnen verdienen met behoud van de volledige WAZ-uitkering.

4.1.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.3.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.4.

Ten aanzien van de gevraagde schadevergoeding van € 60.000,- dient het belang van verzoeker bij toewijzing van het verzoek te worden afgewogen tegen het belang van het Uwv bij afwijzing van het verzoek. Allereerst is de hoogte van het gevorderde bedrag van belang. Toekenning van een dermate hoog bedrag aan schadevergoeding in het kader van een voorlopige voorziening brengt voor het Uwv het risico met zich mee dat, indien de uitspraak in hoger beroep niet leidt tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de schade tot minimaal het gevraagde bedrag van € 60.000,-, dit bedrag wellicht niet (meer) bij verzoeker kan worden teruggehaald.

4.5.

Hiermee komt de vraag aan de orde of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de Raad in de hoofdzaak zal oordelen dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven en het Uwv zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade van verzoeker tot een bedrag van minimaal € 60.000,-. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Voorlopig oordelend, is van een dergelijk causaal verband tussen de meeste door verzoeker in hoger beroep gevorderde schadeposten en het schadeveroorzakende, onrechtmatige besluit van het Uwv van 11 april 2007, geen sprake. Er bestaat dan ook geen redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om bij voorlopige voorziening het Uwv te veroordelen in de gestelde schade van verzoeker ten bedrage van

€ 60.000,- wordt dan ook afgewezen.

4.6.

Ten aanzien van de door verzoeker overige geclaimde aanvullende eisen zoals ontheffing van herkeuringen, zekerstelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage en ongelimiteerd bijverdienen wordt het verzoek afgewezen vanwege het onomkeerbare karakter van een dergelijke te treffen voorziening.

4.7.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) S. Aaliouli

JvC