Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1613

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-673 WIA
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3335
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van toegenomen beperkingen. Voldoende medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/673 WIA

Datum uitspraak: 9 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 januari 2012, 11/7988 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2014. Voor appellant is

mr. De Witte verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als agrarisch medewerker en heeft zich met ingang van 7 maart 2005 ziek gemeld met rug-, long- en hoofdpijnklachten. In verband met een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft medisch onderzoek plaatsgevonden, waarbij de beperkingen van appellant zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige appellant geschikt bevonden voor een aantal passende functies. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het Uwv de aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA afgewezen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 maart 2007 is vastgesteld op minder dan 35%.

1.2. In november 2007 heeft een heronderzoek plaatsgevonden. De beperkingen van appellant zijn neergelegd in een FML van 28 november 2007. Bij besluit van 10 december 2007 heeft het Uwv wederom beslist dat appellant niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 maart 2007 is vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 13 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

1.3. Appellant had ondertussen zijn werk als agrarisch medewerker bij dezelfde werkgever hervat op 19 maart 2007. Met ingang van 17 september 2007 heeft hij zich ziek gemeld met dezelfde klachten als voorheen. In verband met een aanvraag om uitkering op grond van de Wet WIA naar aanleiding van de ziekmelding op 17 september 2007 heeft op 9 juni 2009 medisch onderzoek plaatsgevonden, waarbij de beperkingen van appellant - uitgaande van een hernia, hoofdpijn en astma - zijn neergelegd in een FML van dezelfde datum en aangescherpt in een FML van 24 juni 2009. Uit brieven van de neurochirurg uit mei en augustus 2008 blijkt dat appellant in aanmerking komt voor een rugoperatie doch daarover wil nadenken en vervolgens niet meer is teruggezien. Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat appellant met ingang van 14 september 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De bezwaarverzekeringsarts is tot het standpunt gekomen dat de FML van 24 juni 2009 dient te worden aangepast, omdat onvoldoende rekening is gehouden met appellants rugklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 16 september 2009 een nieuwe FML opgesteld. Daarin zijn beperkingen vermeld in de rubrieken sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juli 2009 is bij besluit van 29 oktober 2009 ongegrond verklaard omdat appellant na arbeidskundige beoordeling nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

1.4. Appellant heeft op 1 september 2010 zijn werk als agrarisch medewerker bij dezelfde werkgever wederom hervat. Met ingang van 1 februari 2011 heeft hij zich ziek gemeld met dezelfde klachten. Anders dan voorheen is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) afgewezen, op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW.

1.5. Per 1 februari 2011 heeft appellant zich tevens toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, in verband met toegenomen klachten. De verzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien de FML die ten grondslag lag aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 14 september 2009 te herzien. Bij besluit van 7 juni 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant om die reden geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan met ingang van

1 februari 2011. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 7 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant aangevoerd dat sprake is van toenemende rugklachten en van voortdurende hoofdpijn. Appellant heeft zich in de loop van 2011 bij zijn specialisten gemeld, hetgeen ertoe heeft geleid dat hij zware medicijnen krijgt, waaronder morfine preparaten. Appellant heeft verzocht een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 4 oktober 2011 gerapporteerd op basis van een spreekuurbezoek op 29 augustus 2011 en een brief van de neuroloog van 17 mei 2011. Nadien heeft appellant een brief van de huisarts van 6 januari 2012 met een medicijnoverzicht, een brief van de neuroloog van 6 mei 2011 (identiek aan de brief van 17 mei 2011) en een brief van de neuroloog van 21 oktober 2011 overgelegd. Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd in een rapport van 11 januari 2012. De belastbaarheid van appellant zoals aangenomen ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 14 september 2009 is niet overschat, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te zien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig te achten en heeft de verzekeringsartsen gevolgd in het standpunt dat er geen argumenten zijn om tot een ander belastbaarheidsoordeel te komen. De rechtbank heeft in verband hiermee geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.

3.2. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant de gronden van het bezwaar en beroep in essentie herhaald.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beoordeling van de gestelde toename van de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd op artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA. In zijn rechtspraak met betrekking tot het daarmee overeenkomstige artikel 43a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft de Raad geoordeeld dat die bepaling geen regeling inhoudt van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin, doch naar bewoordingen en bedoeling uitsluitend ziet op die situaties waarin sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beoordeling van de aanspraak op uitkering. Overeenkomstig hetgeen de Raad in zijn uitspraak van

15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY6237, inzake artikel 57 van de wet WIA heeft overwogen, bestaat er geen aanleiding om ten aanzien van artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA in andere zin te oordelen, waarbij wordt aangetekend dat blijkens de parlementaire geschiedenis van die bepalingen de wetgever heeft beoogd de in de WAO neergelegde zogeheten Amberregeling voort te zetten in de Wet WIA. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de tekst van artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA geen aanknopingspunten biedt om de op dit punt met betrekking tot artikel 43a van de WAO gevormde rechtspraak niet langer van toepassing te achten.

4.2.

Tussen partijen is daarom in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen. Per 1 februari 2011 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met toegenomen klachten. Appellant heeft in dat verband in eerste instantie geen medische stukken overgelegd. Na een medisch onderzoek op 30 mei 2011 heeft de verzekeringsarts overwogen dat geen sprake is van toegenomen beperkingen en heeft de verzekeringsarts de FML die ten grondslag heeft gelegen aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 14 september 2009, ongewijzigd van toepassing geacht op 1 februari 2011. De bezwaarverzekeringsarts is tot dezelfde conclusie gekomen met inachtneming van de brief van de neuroloog van 17 mei 2011. De neuroloog heeft in die brief geconstateerd dat sprake is van hoofdpijn en van een oud radiculair syndroom rechts dat mogelijk pseudoradiculair is. Er wordt een ander medicijn voor de hoofdpijn voorgeschreven en fysiotherapie en afvallen geadviseerd ten aanzien van de rugklachten. De overige in 2.2 genoemde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts niet tot een ander oordeel gebracht. De neuroloog is na onderzoek op 21 oktober 2011 tot de conclusie gekomen dat sprake is van radiculaire pijn in het rechterbeen mogelijk van een radiculair syndroom rechts bij een hernia. De neuroloog heeft een MRI-scan voorgesteld en evaluatie van de pijnmedicatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van deze medische informatie geconcludeerd dat de aangeleverde informatie geen nieuwe gezichtspunten omtrent de belastbaarheid van appellant rond de datum van 1 februari 2011 oplevert. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten de bezwaarverzekeringarts hierin niet te volgen.

4.3.

Appellant heeft voor het overige geen stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat de medische situatie per 1 februari 2011 is gewijzigd ten opzichte van die per 14 september 2009. Geconcludeerd dient te worden dat geen sprake is van toegenomen beperkingen bij appellant per 1 februari 2011. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4.4.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) I.J. Penning

IJ