Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
12-4269 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. In hoger beroep heeft het college alsnog het namens appellant ingediende bezwaarschrift van 20 juni 2011 overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld had het beroep van appellant in zoverre niet gegrond en het bezwaar van appellant niet niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4269 WWB, 12/4270 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

19 juni 2012, 12/415 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2013. Namens appellanten is

mr. Van Wieren verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.J. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft van 15 november 2005 tot 1 april 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres It Slúske 2 te [woonplaats]. Appellant staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een bij de Sociale verzekeringsbank ingekomen anonieme melding van februari 2011 dat appellante samenwoont met appellant op zijn adres, heeft een handhavingsmedewerker van de gemeente Heerenveen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd over energie- en waterverbruik en is appellante op 31 mei 2011 gehoord. Daarnaast zijn waarnemingen verricht nabij de woningen van appellanten. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 juni 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten hebben het college aanleiding gegeven om bij besluit van 9 juni 2011 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2010 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.613,15 van appellante terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft het college de kosten van de aan appellante verleende bijstand mede van appellant teruggevorderd. Appellanten hebben bij brieven van 20 juni 2011 afzonderlijk bezwaar gemaakt.

1.4.

Op verzoek van de gemeente Heerenveen heeft de Sociale Recherche Fryslân (sociale recherche) het onderzoek voortgezet omdat het terug te vorderen bedrag van appellanten hoger was dan € 10.000,-. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, heeft een buurtonderzoek in de omgeving van het adres van appellante plaatsgevonden en zijn appellanten op 19 oktober 2011 als verdachten verhoord. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 31 oktober 2011.

1.5.

Bij besluit van 4 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 9 juni 2011 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2011.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard en het beroep van appellant gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op het bezwaar van appellant en het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat hij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwisten dat zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2011 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellanten hebben, samengevat, aangevoerd dat de verklaring van appellante van 31 mei 2011, de verklaringen van appellanten van 19 oktober 2011, de verklaringen van de buren van appellante en de verbruiksgegevens van het water onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante haar hoofdverblijf in de woning van appellant heeft gehad. Appellante betwist de juistheid van haar verklaring van 19 oktober 2011, omdat haar bepaalde woorden in de mond zijn gelegd. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat uit de verklaringen van appellanten kan worden opgemaakt dat sprake is geweest van wederzijdse zorg.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep heeft het college alsnog het namens appellant ingediende bezwaarschrift van 20 juni 2011 overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld had het beroep van appellant in zoverre niet gegrond en het bezwaar van appellant niet niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De aangevallen uitspraak komt dus, voor zover deze ziet op het beroep van appellant, voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant inhoudelijk beoordelen.

4.2.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2011.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant en dat zij tevens blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. In het bijzonder wordt betekenis gehecht aan de door appellante en appellant, afzonderlijk van elkaar, tegenover de sociale recherche op 19 oktober 2011 afgelegde en ondertekende verklaringen, die gedetailleerd en consistent zijn. Deze verklaringen komen bovendien op hoofdlijnen met elkaar overeen en vinden steun in de verklaringen van de buurtbewoners uit de omgeving van de woning van appellante, [buurtbewoner 1] en [buurtbewoner 1], en in de verbruiksgegevens van het water voor zowel de woning van appellante als voor de woning van appellant. De rechtbank heeft uit de door appellante op 31 mei 2011 afgelegde en ondertekende verklaring tevens terecht afgeleid dat appellanten ten tijde in geding over en weer een mate en intensiteit van zorg hebben gedragen voor elkaar als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

4.6.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in beginsel van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is er geen aanleiding haar niet te houden aan de verklaring, die zij op 19 oktober 2011 heeft afgelegd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar woorden in de mond zijn gelegd of dat de verklaring onder onaanvaardbare druk is afgelegd.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat de hoger beroepen van appellanten voor zover deze zien op de intrekking, terugvordering en medeterugvordering niet slagen. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

5.

Ten slotte bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,- in beroep en op € 874,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.748,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep van appellant

gegrond heeft verklaard en het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard;

- verklaart het beroep van appellant ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 157,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van

J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij