Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
12-3055 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overplaatsing. Passende functie? Het gaat niet om de inhoud van de functie, maar om de afstand van de nieuwe standplaats tot de woonplaats van appellante en de moeilijke verbinding per openbaar vervoer. Het is duidelijk dat de verplaatsing voor appellante vervelende consequenties heeft, maar daar staat tegenover dat zij op deze manier wel werk behoudt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3055 AW, 12/3056 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

18 april 2012, 10/1911 en 10/2086 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Economische Zaken (minister van EZ)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister van BZK)

PROCESVERLOOP

In dit geding is de minister van Economische Zaken in de plaats getreden van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI). Laatstgenoemde was weer in de plaats getreden van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister van EZ, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de minister van ELI en/of de minister van LNV verstaan.

Namens appellante heeft mr. A.A.M. van der Zandt hoger beroep ingesteld.

De ministers hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2013. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Van der Zandt en mr. M.A.W. Smienk. De ministers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Bent.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te beproeven. De ministers hebben aangegeven dat en waarom zij niet tot een minnelijke regeling zijn gekomen. Appellante heeft daarop gereageerd. Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. Daarna is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante was werkzaam als medewerker Personeel Service Centrum bij het toenmalige ministerie van LNV, met als standplaats Zutphen. In juli 2003 heeft het kabinet besloten tot oprichting van P‑Direkt als gemeenschappelijk dienstencentrum van de sector Rijk voor salarisadministratieve en personeelsregistratieve taken. P‑Direkt is ondergebracht bij de minister van BZK. In mei 2009 zijn de voorwaarden voor de personele overgang van medewerkers van de ministeries en de bijzondere colleges neergelegd in het Convenant Personele Overgang P‑Direkt (Convenant). Van toepassing is voorts het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 (SFB).

1.2.

Bij besluit van 5 november 2009 hebben de ministers appellante geplaatst op de functie medewerker contactcenter B (salarisschaal 7) bij P‑Direkt, met als standplaats Zwolle.

1.3.

Bij besluit van 21 april 2010 heeft de minister van BZK aan appellante toegekend: een reiskostentegemoetkoming van € 262,52 per maand, een aanvulling daarop ten bedrage van € 106,36 per maand, af te bouwen in vijf jaar, een vergoeding van zeven minuten reistijd‑is‑werktijd per enkele reis, eveneens af te bouwen in vijf jaar, alsmede een vergoeding voor extra kosten van kinderopvang op de vrijdag van € 208, in 2010 en € 104, in 2011.

1.4.

Bij besluit van 13 oktober 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2009 ongegrond verklaard (bestreden besluit 1).

1.5.

Bij besluit van 19 november 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2010 ongegrond verklaard (bestreden besluit 2).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de functie medewerker contactcenter B, waarop appellante is geplaatst, als passend kan worden aangemerkt. Daarbij gaat het niet om de inhoud van de functie, maar om de afstand van de nieuwe standplaats tot de woonplaats van appellante en de moeilijke verbinding per openbaar vervoer. Ter beoordeling staat met name of de voor appellante uit de overplaatsing voortvloeiende nadelen voldoende door flankerende maatregelen zijn gecompenseerd. Voor zover hier van belang, moeten daarbij de bestreden besluiten als één geheel worden bezien.

3.2.

In het SFB, in samenhang met het Convenant, zijn de voorzieningen omschreven die kunnen worden getroffen voor de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren bij plaatsing in een nieuwe functie. Met de bestreden besluiten is aan deze bepalingen een (meer dan) maximale toepassing gegeven. Gesteld noch gebleken is dat het SFB of het Convenant voorzieningen kent die ongebruikt zijn gebleven en die de werkomstandigheden van appellante nog verder zouden kunnen verlichten. Wat betreft de kinderopvang zijn de ministers zelfs verder gegaan dan strikt genomen is voorzien. De gestelde ondoelmatigheid van het openbaar vervoer leidt niet tot een ander oordeel, nu deze ondoelmatigheid door de ministers is erkend en in de toegepaste bepalingen is verdisconteerd. Bovendien is er ruimte gebleken voor aanpassingen van het werkrooster. Appellante zou liever thuis werken, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de daartegen ingebrachte technische en organisatorische bezwaren ongegrond zijn.

3.3.

Appellante heeft vooral moeite met de getroffen afbouwregelingen. Echter, ook deze zijn in overeenstemming met hetgeen in het SFB en het Convenant ten aanzien van reistijd-is-werktijd en extra reiskosten is bepaald. Wat betreft de kinderopvang is appellante met de toegepaste afbouw niet tekort gedaan.

3.4.

Voor zover afwijking van het SFB en het Convenant al mogelijk is, zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gekomen die daartoe in dit geval aanleiding zouden moeten geven. Het is duidelijk dat de verplaatsing voor appellante vervelende consequenties heeft, maar daar staat tegenover dat zij op deze manier wel werk behoudt.

3.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD