Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1602

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-3613 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:1724, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te verhogen. Het was niet nodig dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige alle in de FML opgenomen aspecten afzonderlijk testte. Zij moet uit hoofde van haar expertise in staat worden geacht om op basis van haar bevindingen bij het lichamelijk onderzoek en van alle in het dossier aanwezige informatie een uitspraak te kunnen doen over de belastbaarheid van appellant. Geen aanleiding de FML onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3613 WAO

Datum uitspraak: 9 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 mei 2012, 11/1191 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J. Brouwer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Brouwer heeft zich als gemachtigde onttrokken aan de zaak.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft appellant met ingang van 8 januari 2001 een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft op 25 juni 2010 een verslechtering van zijn gezondheid gemeld. Naar aanleiding van deze melding en op basis van informatie van de behandelend neuroloog van appellant heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat er op 25 juni 2010 geen sprake was van een evidente wijziging in de medische toestand van appellant, noch van een toename van diens medische beperkingen ten opzichte van zijn onderzoek op 10 mei 2010.

1.2. Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant te verhogen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 26 januari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit neurologe De Rijk-van Andel tot deskundige benoemd en haar een aantal vragen gesteld. Op basis van het rapport van de deskundige heeft de rechtbank het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank zag in de opmerking van de deskundige dat appellant vanwege zijn actuele lichaamsgewicht wezenlijk meer beperkt is op het aspect ‘geknield of gehurkt actief zijn’ dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was aangegeven, geen reden om de FML onjuist te achten, omdat was gebleken dat appellant ten tijde van het opstellen van de FML een veel lager lichaamsgewicht had dan ten tijde van het onderzoek door de deskundige.

3.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. In dat verband heeft hij naar voren gebracht dat hij na een herkeuring naar aanleiding van een ziekmelding in juni 2012 volledig arbeidsongeschikt is geacht met ingang van 22 juli 2012. Appellant heeft verder aangevoerd dat de deskundige ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft gedaan ter vaststelling van zijn mogelijkheden en beperkingen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft zijn stelling met betrekking tot het lichamelijk onderzoek door de deskundige ter zitting in zoverre genuanceerd, dat dat onderzoek volgens hem te summier is geweest. Deze stelling slaagt niet. De deskundige heeft lengte, gewicht, buikomvang, tensie, pols, onderbenen, ogen, spraak, tongmobiliteit, gehoor, gelaat, extremiteiten en wervelkolom onderzocht. Anders dan appellant meent was het niet nodig dat de deskundige alle in de FML opgenomen aspecten afzonderlijk testte. Zij moet uit hoofde van haar expertise in staat worden geacht om op basis van haar bevindingen bij het lichamelijk onderzoek en van alle in het dossier aanwezige informatie een uitspraak te kunnen doen over de belastbaarheid van appellant.

4.2.

Appellant is door de verzekeringsarts van het Uwv beperkt geacht tot ‘kan minder dan

5

minuten achtereen geknield of gehurkt actief zijn (deur aanrechtkastje afnemen)’. De deskundige heeft gesteld dat ‘appellant door het huidige overgewicht niet in staat is tot gehurkt of geknield actief bezig zijn om dan zonder hulp weer overeind te komen’. Gezien de tussentijdse gewichtstoename van appellant wordt het oordeel van de rechtbank dat het rapport van de deskundige geen reden oplevert om de door de verzekeringsarts opgestelde FML wat betreft dit aspect onjuist te achten, gevolgd.

4.3.

Dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 22 juli 2012 is verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is evenmin aanleiding de FML onjuist te achten, nu aan die verhoging een herbeoordeling ten grondslag ligt waaruit toegenomen beperkingen met ingang van 24 juni 2012 naar voren zijn gekomen.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en R.E. Bakker en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) S. Aaliouli

JvC