Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
13-278 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bruto terugvordering. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden gesteld in het beleid. Als appellante eerder gereageerd zou hebben op de ten onrechte uitbetaalde WW-uitkering, dan zou zij wellicht het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering in het lopende fiscale jaar netto hebben kunnen terugbetalen. Het niet controleren van haar bankafschriften komt voor risico van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/278 WW

Datum uitspraak: 22 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 november 2012, 12/2861 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.C. Neering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Neering heeft bij brief van 28 februari 2013 gemeld dat zij zich heeft teruggetrokken als gemachtigde van appellante.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 januari 2012 heeft het Uwv de aan appellante verstrekte uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingetrokken over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 1 januari 2012 en een bedrag van € 12.881,52 bruto als onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 13 april 2012 (bestreden besluit) is het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen.

2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 1 januari 2012 geen recht op een WW-uitkering had. De omvang van het geding beperkt zich tot de vraag of het Uwv het bedrag dat wordt teruggevorderd bruto mocht terugvorderen.

2.2.

Onder verwijzing naar vaste rechtspraak hanteert het Uwv als uitgangspunt dat terugvordering van te veel betaalde bedragen bruto plaatsvindt, indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Thans is deze situatie aan de orde. Het Uwv voert het beleid dat in uitzonderingsgevallen volstaan kan worden met terugbetaling van het nettobedrag, indien a) de uitkeringsgerechtigde binnen een redelijke termijn na ontvangst van het bedrag heeft aangegeven dat hij het ten onrechte ontvangen bedrag niet wil behouden en b) het netto teveel ontvangen bedrag daadwerkelijk ineens terugbetaalt direct nadat het Uwv dit van hem terugvordert.

2.3.

Appellante heeft op 20 juli 2011 per e-mail aan haar toenmalige werkcoach haar werkhervatting per 1 augustus 2011 aangekondigd. Appellante heeft eerst op 30 december 2011 telefonisch contact met het Uwv gezocht en een eerste melding gedaan van ten onrechte ontvangen betalingen. Nu appellante bijna vijf maanden na ontvangst van de eerste ten onrechte ontvangen betaling heeft gewacht alvorens hiervan melding te maken bij het Uwv, kan niet gezegd worden dat appellante binnen een redelijke termijn kenbaar heeft gemaakt dat zij het ten onrechte ontvangen bedrag niet wilde behouden. Daarmee is niet voldaan aan de hierboven onder a) genoemde voorwaarde.

2.4.

Door het bedrag bruto terug te vorderen, heeft het Uwv overeenkomstig zijn beleid gehandeld. De situatie van appellante is niet zo bijzonder dat deze tot afwijking van het beleid noopte. Aangezien appellante pas op 30 december 2011 heeft gemeld dat zij ten onrechte doorbetaald kreeg, kon het Uwv haar niet (meer) wijzen op de mogelijkheid om het bedrag voor het einde van het kalenderjaar netto terug te betalen. Dat appellante heeft nagelaten om op gezette tijden haar rekeningafschriften te controleren, zoals zij ter zitting heeft toegegeven, dient voor risico van appellante te komen.

3.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het Uwv de teveel betaalde WW-uitkering netto had moeten terugvorderen. Volgens appellante heeft zij tijdig, te weten op 20 juli 2011, aan haar werkcoach aangegeven dat haar WW-uitkering diende te worden stopgezet in verband met werkhervatting. Verder heeft zij nogmaals op

30 december 2011, binnen het kalenderjaar, kenbaar gemaakt dat zij werkzaamheden verricht en dus geen recht meer had op WW-uitkering.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv de teveel aan appellante uitbetaalde

WW-uitkering terecht bruto heeft teruggevorderd, en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven.

4.2.

Hieraan wordt nog toegevoegd dat het niet direct reageren door het Uwv op de meldingen van appellante aan haar werkcoach van de werkhervatting in juli 2011 dit oordeel niet anders maakt. In dat kader is van belang dat appellante haar werkcoach weliswaar twee keer heeft geïnformeerd over haar (voorgenomen) werkhervatting per 1 augustus 2011, maar dat zij nadien niet heeft gereageerd op het feit dat het Uwv desondanks ook na 1 augustus 2011 haar WW-uitkering bleef uitbetalen. Als appellante eerder gereageerd zou hebben op de ten onrechte uitbetaalde WW-uitkering, dan zou zij wellicht het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering in het lopende fiscale jaar (2011) netto hebben kunnen terugbetalen (vergelijk CRvB 14 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3323). Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen komt het niet controleren van haar bankafschriften voor risico van appellante.

4.3.

Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.C. Hoogendoorn

QH