Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
12-2129 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen aanknopingspunten om de naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts niet juist te achten. Voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2129 WIA

Datum uitspraak: 9 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

28 maart 2012, 11/9278 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het Uwv is, zoals te voren was aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zijn werkzaamheden als marktverkoophulp op 24 augustus 2009 gestaakt vanwege nek-, schouder- en armklachten en lage rugklachten.

1.2. Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 augustus 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 1 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2011 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het medisch onderzoek onjuist of onzorgvuldig is verlopen. Zij heeft voorts geen reden gezien tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de verzekeringsartsen voor hun beoordeling beschikten over de informatie van behandelaars. Wat betreft de lichamelijke klachten van appellant hebben de verzekeringsartsen geconcludeerd dat sprake is van artrose van de nek op verschillende niveaus en een pseudopijnsyndroom van de lage rug. Zij achten appellant in staat rug- en neksparende arbeid te verrichten. Vanwege zijn pijnklachten en daarmee samenhangende slaapproblemen is een duurbeperking aangenomen. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv zijn belastbaarheid ten aanzien van dynamische handelingen te licht heeft vastgesteld. Zij heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van

19 oktober 2011 heeft toegelicht dat appellant al jaren bekend is met pijnklachten in de nek, schouder en arm zonder dat neurologische uitval kon worden geconstateerd. De door appellant ervaren klachtentoename is tendomyogeen van karakter en spanningsgerelateerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft over de rugklachten van appellant gerapporteerd dat deze niet geobjectiveerd zijn. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de ter zitting van de rechtbank overgelegde brief van neurochirurg J.A.L. Wurzer van 23 februari 2012 geen nieuwe gezichtspunten. De rechtbank heeft appellant voorts niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv zijn psychische beperkingen niet juist heeft gewaardeerd. De rechtbank heeft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd, neergelegd in een rapport van 19 oktober 2011, dat er geen argumenten zijn om beperkingen vast te stellen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, omdat de verzekeringsarts bij onderzoek geen psychische afwijkingen heeft kunnen objectiveren en de behandelend psychiater bij PsyQ geen psychiatrie in engere zin heeft vastgesteld.

2.3. Ervan uitgaande dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag, heeft de rechtbank zich ook kunnen verenigen met de voor appellant geselecteerde functies. De rechtbank heeft het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige, neergelegd in een rapport van 7 februari 2012, onderschreven, dat het opleidingsniveau van appellant gelet op de door hem gevolgde opleiding in het verleden, aangevuld met zijn werkervaring, terecht is vastgesteld op niveau 2. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij de geduide functies vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal en de vereiste vaardigheid van eenvoudig computergebruik niet kan vervullen.

3.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat het Uwv zijn psychische en lichamelijke beperkingen niet juist heeft gewaardeerd. Hij betoogt dat hij onder een depressieve stemming lijdt, waarvoor hij rond de datum in geding een wekelijkse afspraak had bij een sociaal verpleegkundige van PsyQ. Appellant heeft verder herhaald dat hij niet kan traplopen. Hij heeft erop gewezen dat de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) van de gemeente Den Haag hem bij besluit van 13 februari 2012, op grond van een rapport van de GGD van 13 december 2011, een voorrangsverklaring heeft verleend voor een huurwoning met lift dan wel een benedenwoning. Appellant verzoekt de Raad een neuroloog te benoemen voor een onderzoek. Hij acht zich gelet op zijn klachten niet in staat de geduide functies te verrichten en herhaalt dat zijn opleidingsniveau is overschat.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft de aangevoerde gronden met betrekking tot de psychische en lichamelijke klachten van appellant afdoende besproken en deugdelijk gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in hoger beroep bij rapport van

30 mei 2012 nader uiteengezet dat bij afwezigheid van psychiatrie in engere zin er geen grond is voor beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en dat de omstandigheid dat appellant een behandeltraject is ingegaan dit niet anders maakt. Daartoe wordt overwogen dat de behandeling van appellant gericht is op het accepteren van en omgaan met zijn pijnklachten en niet op herstel van een psychische stoornis. De omstandigheid dat appellant nog moeite heeft met het accepteren van zijn situatie impliceert niet dat hij bestendige beperkingen heeft als gevolg van ziekte. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder overwogen dat in de stukken van de onder 3 genoemde DSO geen medische onderbouwing gevonden kan worden voor het oordeel dat appellant beperkt is voor traplopen. De bezwaarverzekeringsarts heeft daartoe overwogen dat uit het advies van de Toetsingscommissie blijkt dat een

GGD-arts de woonsituatie van appellant weliswaar duidt als medisch gezien levensbedreigend en/of levensontwrichtend, maar dat een medische onderbouwing hiervoor ontbreekt. De Raad heeft geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts niet juist te achten. Appellant heeft in hoger beroep overigens geen nadere medische gegevens ingebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen.

4.2.

De rechtbank wordt voorts gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de geselecteerde functies appellant ook gelet op het voor het vervullen van die functies vereiste opleidingsniveau zouden kunnen worden opgedragen. De overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. In de geselecteerde functies worden geen opleidingseisen en geen bijzondere eisen aan de schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal gesteld.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aanvallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek van appellant om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker

GdJ