Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
13-2602 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De bevindingen van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige inzake de CVS van appellant komen in grote lijnen overeen met de bevindingen van de door appellant geraadpleegde artsen. Onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv in de FML verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Geduide functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2602 WIA, 13/3563 WIA

Datum uitspraak: 9 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

4 april 2013, 11/1638 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

[Naam], vader van appellant, heeft namens appellant tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar van 24 mei 2013 naar de Raad gezonden, vergezeld van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige.

Namens appellant zijn nadere gronden aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak en het besluit van 24 mei 2013.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 3 februari 2014 zijn namens appellant nadere arbeidskundige gronden aangevoerd, waarop de bezwaararbeidsdeskundige desgevraagd heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als assistent aangifte medewerker, is op 18 mei 2009 voor dat werk uitgevallen wegens ernstige vermoeidheidsklachten. Na afloop van de wachttijd is hem bij besluit van 1 april 2011 per 16 mei 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 november 2011 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.3.1. In beroep heeft W. Hokken, revalidatiearts, als onafhankelijke deskundige op verzoek van de rechtbank op 13 augustus 2012 verslag uitgebracht. Op basis van dossierstudie, waaronder een groot aantal gegevens van de behandelend sector, en lichamelijk onderzoek heeft de deskundige geconcludeerd dat appellant lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en dat hij daardoor in aanzienlijke mate wordt beperkt in zijn niveau van functioneren. Niettemin is hij van mening dat loonvormende arbeid voor appellant haalbaar is, mits in voldoende mate beperkingen worden aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) (inclusief urenbeperking). Uitgaande van de datum 16 mei 2011 kan de deskundige niet volledig instemmen met de FML en is hij van mening dat het aantal werkuren per dag voor appellant moet worden beperkt tot vier en het aantal uren per week tot maximaal 20.

1.3.2. Naar aanleiding van de reactie van appellant op het rapport van de deskundige heeft de deskundige zijn oordeel heroverwogen. Daarbij heeft hij ook betrokken de informatie die hij heeft ontvangen van het Vermoeidheidscentrum nadat hij reeds zijn rapport had uitgebracht. Dit heeft hem niet tot een andere conclusie geleid.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad het oordeel van de door haar benoemde deskundige gevolgd. Zij heeft daartoe overwogen dat - mede in aanmerking genomen het nadere rapport van de deskundige - een consistent en voldoende gemotiveerd rapport is uitgebracht. Nu niet is gebleken dat de deskundige een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en hij bij zijn beoordeling rekening heeft gehouden met de vermoeidheidsklachten ziet de rechtbank geen aanleiding om een expliciete toetsing aan het protocol CVS te verlangen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de rechtbank - buiten de urenbeperking - geen aanleiding andere of meer beperkingen aan te nemen dan in de FML zijn vastgesteld. Met name ziet zij geen reden voor twijfel aan de conclusie van de deskundige dat er ten aanzien van de darmproblemen niet gebleken is van enige medisch objectiveerbare oorzaak. Uit de brieven van het centrum voor Integrale Gezondheidszorg is die niet kunnen blijken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de gestelde urenbeperking kan de rechtbank niet afleiden dat er een verdergaande urenbeperking had moeten worden aangenomen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de deskundige naast de gegevens uit eigen onderzoek de beschikking had over uitgebreide informatie van behandelaars, van de bedrijfsarts en over informatie die appellant heeft overgelegd. Dat de deskundige de informatie van het Vermoeidheidscentrum eerst na afloop van de totstandkoming van zijn rapport heeft ontvangen maakt volgens de rechtbank niet dat zij de conclusies van de deskundige niet zou mogen overnemen nu de deskundige

van die informatie kennis heeft genomen en uitdrukkelijk heeft overwogen dat deze aan zijn bevindingen en conclusie niet afdoet.

2.2. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen heeft haar tot de conclusie geleid dat de (bezwaar)verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant per 16 mei 2011 niet juist heeft vastgesteld. Het Uwv had een urenbeperking moeten vaststellen om vervolgens te bezien welke functies eiser kan verrichten. Omdat de medische grondslag van het besluit onjuist is, heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daarbij heeft zij beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3.1. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts een rapport uitgebracht. Daarin heeft hij te kennen gegeven dat de door de deskundige gestelde urenbeperking zal worden gevolgd en er geen aanleiding is voor aanvullende beperkingen. Hij heeft dan ook de eerder vastgestelde FML op 23 april 2013 gewijzigd. Naar aanleiding van de gewijzigde FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige het CBBS opnieuw geraadpleegd en heeft hij twee eerder aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen en twee functies bijgeduid. Op basis van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 16 mei 2011 berekend op 38,9 %. Overeenkomstig de uitkomst van de verkeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging heeft het Uwv bij besluit van

24 mei 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarin heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en heeft het appellant met ingang van 16 mei 2011 alsnog een WIA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

3.2. Aangezien appellant zich evenmin kan verenigen met het besluit van 24 mei 2013 ziet de Raad aanleiding dit besluit met toepassing van artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede in de beoordeling te betrekken.

4.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij het niet eens is met de medische grondslag van het bestreden besluit. Met name meent hij dat de rechtbank ten onrechte de deskundige volledig heeft gevolgd. Appellant is - kort gezegd - van mening dat hij gelet op zijn klachten volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Wat betreft de arbeidskundige grondslag stelt appellant zich op het standpunt dat niet voldoende deugdelijk is gemotiveerd dat de functies, die aan de nieuwe schatting ten grondslag zijn gelegd, ondanks de signaleringen toch geschikt zijn.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het uitgebrachte deskundigenrapport en de daarop volgende verklaring van 15 oktober 2012 blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en dat zij inzichtelijk en consistent zijn. Daarbij is in overweging genomen dat de bevindingen van deze deskundige inzake de CVS van appellant in grote lijnen overeenkomen met de bevindingen van de door appellant geraadpleegde artsen, waaronder internist H. ten Cate en revalidatiearts R.A. Pol. Met betrekking tot de overige lichamelijke klachten van appellant, waaronder darmklachten, nek-, rug- en schouderklachten en knieklachten, kan de Raad zich evenals de rechtbank vinden in de constatering van de deskundige dat de medische stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat het Uwv in de FML van 23 april 2013 verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken ingediend die een ander licht op de zaak werpen. Er bestaat daarom geen aanleiding een deskundige te benoemen zoals door appellant is verzocht.

5.2.

Hetgeen is overwogen onder 5.1 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.3.

Nu de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van het rapport van de deskundige in de FML van 23 april 2013 alsnog beperkingen heeft opgenomen met betrekking tot de items uren per dag en uren per week, wordt geoordeeld dat deze FML geheel in overeenstemming is met de bevindingen van de deskundige. Zoals onder 5.1 reeds is overwogen heeft appellant in hoger beroep geen medische stukken ingediend die een ander licht op de zaak werpen. Dit betekent dat de FML van 23 april 2013 niet voor onjuist kan worden gehouden. De omstandigheid dat appellant naar eigen zeggen in het geheel niet in staat is om te werken, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat de subjectieve mening van appellant, gezien het wettelijke stelsel van arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, niet de doorslag kan geven.

5.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML wordt geoordeeld dat de functies die aan het besluit van 24 mei 2013 ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. Met de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 april 2013 en 10 februari 2014 is dit inzichtelijk en overtuigend toegelicht.

5.5.

Hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen moet leiden tot de slotsom dat het beroep tegen het bestreden besluit van 24 mei 2013 ongegrond dient te worden verklaard.

6.

Voor een proceskostenbeoordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker

RB