Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
12-5868 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding bezwaarschrift. Disciplinair ontslag. Herhaaldelijke weigering om aan het werk te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5868 AW, 12/5872 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 24 september 2012, 12/3938 en 12/4077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (Duitsland) (appellante)

de Kamer van Koophandel (Kamer)

PROCESVERLOOP

Per 1 januari 2014 zijn de regionale Kamers van Koophandel onderdeel geworden van de Kamer van Koophandel. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de Kamer wordt daarmee in voorkomend geval (mede) bedoeld (het dagelijks bestuur van) de Kamer van Koophandel Centraal-Gelderland.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. R.R. Ismail, advocaat, de gronden van het hoger beroep weergegeven en nader stukken ingezonden.

Namens de Kamer heeft mr. M.P. Korevaar, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ismail. De Kamer heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Korevaar en S.F. Timmer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is vanaf 1983 als [naam functie] in dienst geweest bij de Kamer van Koophandel Centraal-Gelderland. Op 23 september 2008 is zij wegens lichamelijke en psychische klachten arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 21 december 2010 is appellante een WGA-uitkering toegekend op basis van 37% arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 10 maart 2011 heeft de Kamer appellantes aanstelling op grond van ongeschiktheid wegens ziekte met ingang van 1 maart 2011 verminderd naar 24 uur per week. Bij brieven van 1 juli 2011 en 16 november 2011 heeft appellante de Kamer meegedeeld dat er wegens verwijtbaar handelen en wangedrag van de manager P&O, T, geen basis meer is voor een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Vervolgens zijn gesprekken gevoerd en heeft appellantes toenmalige advocaat een beëindigingsregeling (ontslag op andere gronden) voorgesteld. De Kamer is niet op dit voorstel ingegaan.

1.2. Op 5 maart 2012 heeft appellante zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft op 22 maart 2012 geoordeeld dat zij met ingang van 1 april 2012 geschikt is voor haar eigen werk. Bij brief van 23 maart 2012 heeft de Kamer appellante opgeroepen om met ingang van 2 april 2012 haar werkzaamheden te hervatten. Nadien is appellante verlof verleend om haar in de gelegenheid te stellen het door haar gevraagde deskundigenoordeel af te wachten. Het oordeel van de bedrijfsarts dat appellante met ingang van 1 april 2012 geschikt voor haar eigen werk was, is op 26 april 2012 bevestigd door een deskundigenoordeel van het Uwv. Bij brief van

1 mei 2012 heeft de Kamer appellante opgeroepen om met ingang van 7 mei 2012 haar werkzaamheden te hervatten. In reactie hierop heeft appellante de Kamer op 6 mei 2012 meegedeeld dat zij niet aan deze oproep kan voldoen omdat zij moet kiezen voor haar gezondheid. Appellante heeft op 7 mei 2012 haar werkzaamheden niet hervat.

1.3. Bij besluit van 7 mei 2012 heeft de Kamer met onmiddellijke ingang de betaling van het salaris van appellante stopgezet. Tevens is appellante opgeroepen om met ingang van 9 mei 2012 haar werkzaamheden te hervatten, waarbij is aangetekend dat, indien zij niet aan deze hernieuwde oproep gevolg geeft, de Kamer over kan gaan tot het opleggen van disciplinair ontslag. Omdat appellante haar werkzaamheden niet heeft hervat, heeft de Kamer appellante bij brief van 10 mei 2012 voor de laatste maal opgeroepen om haar werkzaamheden met ingang van 14 mei 2012 te hervatten. Op 14 mei 2012 heeft appellante haar werkzaamheden niet hervat. Bij brief van 14 juni 2012 heeft de Kamer het voornemen kenbaar gemaakt om appellante wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

1.4. Bij brief van 22 juni 2012 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 mei 2012. Appellante is vervolgens gehoord over het ontslagvoornemen en over haar bezwaar tegen de stopzetting van de betaling van haar salaris. Bij besluit van 10 juli 2012 (bestreden besluit 1) heeft de Kamer het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 mei 2012 wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van dezelfde datum heeft de Kamer appellante op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 15 juli 2012 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij besluit van 26 juli 2012 (bestreden besluit 2) heeft de Kamer het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen, voor wat betreft bestreden besluit 1, dat er geen aanleiding is om de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten. In het besluit van 7 mei 2012 staat een juiste bezwaarclausule zodat appellante wist binnen welke termijn zij bezwaar moest maken. Het komt voor risico van appellante dat zij, zoals zij heeft verklaard, is afgegaan op het advies van haar advocaat. Voor wat betreft bestreden besluit 2 is overwogen dat appellante heeft erkend dat zij op medische gronden in staat was haar eigen werk te verrichten; voorts is overwogen dat de door appellante richting de Kamer geuite verwijten en beschuldigingen onvoldoende concreet zijn gemaakt.

3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat haar bezwaar tegen de stopzetting van de betaling van haar salaris mede vanwege het tekortschieten van haar toenmalige advocaat niet-ontvankelijk is verklaard. Daarnaast zou de rechtbank hebben miskend dat de situatie op het werk, mede door de bejegening door T, zodanig bedreigend voor appellante was dat zij haar werk niet kon hervatten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1

4.1.

Vaststaat dat appellante haar bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn heeft ingediend. De vraag is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij in de veronderstelling verkeerde dat haar (toenmalige) advocaat bezwaar zou maken. In hoger beroep heeft zij daarnaast gewezen op een uitspraak van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van

16 december 2013 waaruit blijkt dat de advocaat in die zaak ter zake van het indienen van het bezwaarschrift is tekort geschoten. De tegen hem ingediende klacht is op dit punt gegrond verklaard.

4.3.

De Raad is van oordeel dat hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd geen grond bevat waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Zoals ook in de aangevallen uitspraak is overwogen, komen handelingen en tekortkomingen van haar gemachtigde voor rekening van appellante.

Bestreden besluit 2

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3764) moet een eigenmachtig niet voldoen aan opdrachten tot werkhervatting na arbeidsgeschiktverklaring worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Onder ‘eigenmachtig’ verstaat de Raad het op subjectieve gronden, zonder dat daarvoor steun wordt gevonden in objectieve medische bevindingen, door een ambtenaar volharden bij het door hem ingenomen negatieve standpunt ter zake van hervatting van het werk.

4.5.

De bedrijfsarts heeft op 22 maart 2012 geconcludeerd dat appellante met ingang van

1 april 2012 geschikt is voor haar eigen werk. Het oordeel van de bedrijfsarts vindt bevestiging in het deskundigenoordeel van het Uwv van 26 april 2012. Door appellante zijn geen objectieve medische gegevens ingebracht die tot een andere conclusie zouden moeten leiden.

4.6.

In november 2011 heeft appellante in een brief aan de Kamer gesteld dat er geen basis meer is voor een vruchtbare voortzetting van haar arbeidsovereenkomst. Met name heeft zij daarvoor verwezen naar de sedert 2010 verstoorde relatie met de manager P&O, T. De Kamer heeft geweigerd in te gaan op een voorstel van appellante tot beëindiging van het dienstverband op andere gronden; volgens de Kamer was er geen sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. De Kamer wilde dan ook niet ingaan op een voorstel tot mediation gericht op beëindiging van het dienstverband. Appellante heeft een voorstel tot mediation ter verbetering van de werkverhoudingen in november 2011 afgewezen.

4.7.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er voor haar een bedreigende situatie op de werkvloer was ontstaan. Met de voorzieningenrechter wordt geoordeeld dat de door appellante geuite verwijten en beschuldigingen onvoldoende concreet zijn gemaakt en ongegrond zijn. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan van haar niet gevergd kon worden om haar werkzaamheden te hervatten. Appellante is uitdrukkelijk gewaarschuwd dat, indien zij aan de oproepen tot werkhervatting geen gevolg zou geven, de Kamer over zou kunnen gaan tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag.

4.8.

De Raad concludeert, evenals de voorzieningenrechter, dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig toerekenbaar plichtsverzuim, nu appellante in de brieven van de Kamer van 23 maart 2012, 1 mei 2012 en 7 mei 2012 geen aanleiding heeft gezien haar werk te hervatten. De Kamer was dan ook bevoegd appellante disciplinair te straffen.

4.9.

De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van de gedragingen van appellante. Hierbij wordt acht geslagen op het feit dat appellante herhaaldelijk heeft geweigerd om aan het werk te gaan en appellante in de brief van 7 mei 2012 nadrukkelijk is gewezen op de mogelijke gevolgen van haar gedrag. Appellante heeft daarop volhard in haar weigering. Nu moet worden vastgesteld dat daarvoor geen grond was, ontkomt de Raad niet aan het oordeel dat appellante welbewust het risico heeft genomen dat tot disciplinair ontslag zou worden overgegaan.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.K. Dekker

HD