Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
13-704 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Bezit onroerend goed in het buitenland.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/158
USZ 2014/200 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/704 WWB, 13/705 WWB, 13/1446 WWB, 13/1447 WWB

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 december 2012, 12/4001 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.T. Panneflek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere besluiten ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Panneflek die ook voor appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Uç en C.M. Valkering.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben met onderbrekingen vanaf 1992 bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden, laatstelijk van 22 januari 1998 tot 1 oktober 2000 en van 12 mei 2003 tot en met 31 maart 2009, vanaf 1 januari 2004 ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 30 juni 2009 heeft de Sociale Recherche van de gemeente Zaanstad (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een onderzoek te doen naar eventuele bezittingen van appellanten in Turkije. Uit de bevindingen van het onderzoek van het IBF is naar voren gekomen dat appellanten sinds 28 november 1996 een woning bezitten in [T.] te Turkije met een getaxeerde waarde van € 36.700,- en dat bij de belastingaangifte over 2009 appellanten nog worden genoemd als de eigenaren. Voorts heeft de sociale recherche appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapportage van 31 mei 2011.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 19 augustus 2011 de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 1999 tot 1 april 2009 (periode in geding) te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 95.506,08 van appellanten terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 12 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2011 gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van het teruggevorderde bedrag. Na verrekening met de door appellanten in bezwaar gemaakte kosten heeft het college het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 90.958,67. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door aan het college niet te melden dat zij in de periode in geding eigenaar zijn geweest van een woning in Turkije met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Subsidiair heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand in de in geding zijnde periode nihil is, naar de Raad begrijpt, wegens overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het college de verschuldigde kosten in bezwaar heeft verrekend met het terugvorderingsbedrag.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, behalve voor zover het betreft de verrekening van de kosten in bezwaar. Zij bestrijden dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Verder stellen appellanten zich op het standpunt dat de hoogte van het terugvorderingsbedrag onevenredig is in verhouding tot het bedrag waarmee de waarde van het onroerend goed de vrij te laten vermogensgrens overschrijdt. Het college had hierin aanleiding moeten zien om de terugvordering te matigen.

4.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 11 januari 2013 (nader besluit) opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2011 beslist. Bij dit besluit heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2011 herroepen wat betreft de hoogte van het teruggevorderde bedrag en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 92.706,67, onder toekenning van een vergoeding in de kosten in bezwaar tot een bedrag van € 1.748,-. Bij aanvullend besluit van 29 januari 2013 heeft het college de toegekende kostenvergoeding gecorrigeerd naar een bedrag van € 1.888,-.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

5.1.

Vaststaat dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben gehandeld door nimmer aan het college opgave te doen van de onder 1.2 vermelde woning. De stelling dat appellanten de inlichtingenverplichting niet bewust hebben geschonden als gevolg van het feit dat zij de Nederlandse taal niet machtig waren, kan niet worden gevolgd. Het bezit van een woning in Turkije is onmiskenbaar een gegeven waarvan appellanten melding hadden moeten maken bij het college omdat het van invloed kon zijn op hun recht op bijstand. Appellanten had dit ook zonder dat daarnaar expliciet werd gevraagd redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Met de rechtbank is de Raad daarnaast van oordeel dat het op de weg van appellanten had gelegen bij het college navraag te doen, voor zover zij de expliciete vraag naar het bezit van onroerend goed op de rechtmatigheidsformulieren in de periode in geding al niet goed zouden hebben begrepen. Dat het formulier waarmee appellanten in 1998 bijstand hebben aangevraagd in het dossier ontbreekt, vormt geen reden om daar anders over te oordelen.

5.2.

Appellanten betwisten de waarde waarop de woning blijkens het onderzoek van de IBF is getaxeerd niet. Zoals het college ter zitting desgevraagd heeft bevestigd is het, gelet op de getaxeerde waarde van de woning, aannemelijk dat appellanten in de gehele periode in geding konden beschikken over vermogen in de vorm van een woning waarvan de waarde aanzienlijk hoger was dan de voor hen in die periode geldende grens van het vrij te laten vermogen. Niet in geschil is dat de rechtbank hieraan terecht de conclusie heeft verbonden dat appellanten in de periode in geding geen recht hadden op algemene bijstand, zodat het college bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten over die periode in te trekken. De wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, hebben appellanten niet bestreden. Het college was tevens bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de in de periode in geding verleende bijstand van appellanten terug te vorderen.

5.3.

Het college hanteert de beleidsregel dat in alle gevallen waarin het college bevoegd is om uitkeringsbesluiten te herzien of in te trekken, bijstand terug te vorderen en teruggevorderde bedragen in te vorderen of door verrekening te innen, het college in volle omvang van deze bevoegdheden gebruik maakt. Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering indien dringende redenen dit rechtvaardigen, of indien en voor zover bepalingen van het hoofdstuk waarin deze beleidsregel is opgenomen een bijzondere grond voor matiging opleveren. Het college heeft voor terugvordering van verzwegen vermogen boven de toepasselijke vrijlatingsgrens geen specifiek beleid ontwikkeld of geformuleerd.

5.4.

In zijn uitspraak van 21 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9423, heeft de Raad overwogen dat hantering van een dergelijk door het college gevoerd terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vrijlatingsgrens tot uitkomsten kan leiden die voor de betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim of van het niet of niet juist verwerken van eerder wel verstrekte gegevens. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van

16 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5136, is in het geval van een forse overschrijding van het vrij te laten vermogen minder snel sprake van onevenredigheid tussen de terugvordering en het daarmee beoogde doel. Verder moeten alle gegevens voorhanden zijn om vast te kunnen stellen of en, zo ja, in hoeverre recht op bijstand zou hebben bestaan.

5.5.

In het onderhavige geval is sprake van een forse overschrijding van het vrij te laten vermogen. Appellanten hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat aan hen nadien bij nakoming van de inlichtingenverplichting, na verloop van enige tijd bijstand zou zijn verleend. In de eerste plaats zijn appellanten bij de berekening van de periode waarover bijstand zou zijn verleend ten onrechte uitgegaan van een te hanteren interingsnorm per maand gelijk aan het bedrag van 1,5 keer de voor hen geldende bijstandsnorm. Daarvoor is bij terugvordering die het gevolg is van een schending van de inlichtingenverplichting geen plaats. Verder is van belang dat appellanten, zoals het college ook te kennen heeft gegeven, in het geheel geen informatie hebben verstrekt over de wijze van financiering van de aankoop en het onderhoud van het onroerend goed. Evenmin hebben zij inlichtingen gegeven over inkomsten uit dat onroerend goed, zoals inkomsten uit verhuur. Tijdens het verhoor door de sociale recherche heeft appellant, daarnaar gevraagd, gezegd dat hij daarover geen mededeling wil doen. Tegen de achtergrond daarvan is de enkele stelling van appellant ter zitting van de Raad dat in het geheel geen sprake is geweest van huurinkomsten zonder meer onvoldoende. Gelet hierop behoefde het college niet van (een deel van) de terugvordering af te zien op grond van de in 5.4 bedoelde onevenredigheid.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De besluiten van 11 januari 2013 en 29 januari 2013

5.7.

Deze besluiten zullen met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling worden betrokken. Het college heeft met deze besluiten op de juiste wijze uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Nu appellanten tegen het besluit van 11 januari 2013, als aangevuld bij besluit van 29 januari 2013, geen zelfstandige beroepsgronden hebben aangevoerd, zal de Raad het beroep tegen deze besluiten ongegrond verklaren.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 11 januari 2013 en 29 januari 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

IJ