Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
13-951 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo. Er was sprake van een zeer bedreigende situatie, maar niet dat appellant direct betrokken is geweest bij beschietingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/951 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

In het geding tussen:

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 8 mei 2014

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 januari 2013, kenmerk BZ01522185 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door R.J. van Dijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1937 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. In april 2001 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 27 februari 2002 op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Hierbij is overwogen dat van de gestelde onderduik tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode geen bevestiging is verkregen. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2. In november 2011 heeft appellant verzocht de onder 1.1 vermelde afwijzing te herzien op de grond dat hij gevechten en beschietingen tussen pemoeda’s en ghurka’s heeft meegemaakt. Ter ondersteuning van deze aanvraag heeft appellant verklaringen van zijn zusters overgelegd. Verweerder heeft op dit verzoek afwijzend beslist bij besluit van 23 augustus 2012 op de grond dat tijdens de behandeling van de eerdere aanvraag de getuigenverklaringen van de zusters van appellant al zijn meegenomen. De nieuwe verklaringen vormden onvoldoende grond om een ander standpunt in te nemen. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad een dergelijk besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2.

Appellant heeft bij zijn verzoek om herziening aangevoerd dat hij, toen hij woonde aan de Coenboulevard in Soerabaja tijdens de Bersiap-periode, hevige beschietingen en gevechten heeft meegemaakt, waardoor het huis beschadigd is geraakt en er lijken in de voortuin en in de straat voor het huis lagen. De angst om geraakt te worden was groot en appellant zocht dekking in de goedang aan de achterzijde van het huis. Ook werd appellant met beschietingen geconfronteerd als hij met een jeep naar school werd gebracht.

2.3.

Verweerder heeft hierin onvoldoende aanleiding gezien om de eerdere afwijzing te herzien, omdat geen bevestiging is verkregen van directe betrokkenheid van appellant bij beschietingen en gevechten tijdens de slag om Soerabaja tijdens de Bersiap-periode, meer in het bijzonder rond de Coenboulevard. Dit standpunt is in rechte houdbaar. Uit de verklaringen van appellant zelf en zijn zusters blijkt dat sprake was van een zeer bedreigende situatie, maar niet dat appellant direct betrokken is geweest bij beschietingen. Appellant heeft zelf ook aangegeven dat hij schuilde tijdens beschietingen in de goedang achter het huis, waar hij toen ook woonde. Zijn zusters verbleven in het huis. Van de beschietingen tijdens vervoer naar school is geen bevestiging gekregen.

2.4.

Het beroep moet dus ongegrond verklaard worden. Het is duidelijk dat appellant tijdens en vooral ook na de oorlogsjaren onder moeilijke omstandigheden heeft moeten leven. De Wubo heeft echter een beperkte strekking, in die zin dat sprake moet zijn geweest van in die wet specifiek beschreven oorlogservaringen. Aan die wettelijke eis kan niet worden voorbijgegaan. Aan de beoordeling van de medische klachten van appellant als gevolg van zijn oorlogservaringen wordt dus niet toegekomen.

3.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

HD