Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
12-5293 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitkeringsregeling op minimumniveau. Weigering medewerking aan zowel de detachering als het verbetertraject. Er is geen sprake van dat de minister de functie van appellant had moeten uitkleden tot een niveau dat beter aansloot bij zijn capaciteiten, of dat met dat doel een nieuwe functie voor appellant had moeten worden gecreëerd. Van een overwegend aandeel aan de zijde van de minister is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5293 AW

Datum uitspraak: 8 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

22 augustus 2012, 11/1238 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. Munts, mr. H. Koenders en

J.J.M. Pingen.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant was werkzaam bij de voormalige Inspectie Werk en Inkomen. Per 1 maart 2004 is hij overgeplaatst naar de voormalige Arbeidsinspectie, waar hij is belast met de functie van [naam functie] (AMF).

1.1.

In 2009 is een nieuwe leidinggevende, P, aangetreden. Deze heeft tijdens verscheidene in 2009 gevoerde voortgangsgesprekken zorgen geuit over het functioneren van appellant. Tijdens een zogeheten M&M-gesprek (een gesprek tussen manager en medewerker met het karakter van een beoordelingsgesprek) op 7 december 2009 heeft de leidinggevende deze zorgen herhaald. Volgens de leidinggevende is appellant te onzeker en aarzelend in zijn optreden als inspecteur en levert hij te weinig productie.

1.2.

In de eerste helft van 2010 heeft P overeenstemming bereikt met de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) over detachering van appellant aldaar, voor een periode van zes maanden. Het betrof binnendienstwerkzaamheden. Het werk vereiste ervaring in een inspecteursfunctie, alsmede boekhoudkundige kennis. P achtte deze werkzaamheden bij uitstek passend voor appellant. Appellant heeft in juni 2010 laten weten de detachering te weigeren. Tijdens een M&M-gesprek op 17 augustus 2010, waarin het functioneren van appellant opnieuw als onvoldoende is beoordeeld, is appellant gewezen op de mogelijkheid van een dienstopdracht tot de detachering. Tijdens een gesprek op 20 september 2010 heeft appellant opnieuw geweigerd om de werkzaamheden bij de SIOD te gaan verrichten. Daarop is van een dienstopdracht afgezien.

1.3.

Na het afketsen van de detachering heeft P voor appellant een verbetertraject in gang gezet. Hiertoe is een aantal uitgangspunten op papier gezet. Daarbij is vermeld dat indien na afloop van het traject, dat zes maanden in beslag zal nemen, geen verbetering van het functioneren van appellant optreedt, dit tot de conclusie zal leiden dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. In dat geval zal worden overgegaan tot ontslag. De geplande ondertekening van het document heeft niet plaatsgevonden. Appellant heeft zich op 3 oktober 2010 met een

e-mailbericht ziek gemeld en op dezelfde dag laten weten zijn deelname aan het traject nog eens goed te hebben overwogen en tot de conclusie te zijn gekomen dat hij het traject niet zal ingaan. Deelname aan het traject zou, aldus appellant, op korte dan wel wat langere termijn ongetwijfeld leiden tot een verergering van zijn gezondheidsklachten. Appellant is met ingang van 12 oktober 2010 hersteld verklaard door de bedrijfsarts, waarbij deze heeft opgemerkt evenwel geen vruchtbare werkhervatting te verwachten zonder een gesprek over het ontstane functioneringsprobleem. Er zijn, aldus verder de bedrijfsarts, geen medische redenen om dat gesprek niet op zeer korte termijn aan te gaan. Gelet op dit advies is het Loket Conflictbemiddeling Rijk (Loket) ingeschakeld. Het Loket heeft appellant eind oktober 2010 telefonisch benaderd, met de bedoeling een afspraak te maken voor een bemiddelingsgesprek. Appellant heeft echter laten weten zich niet tot een dergelijk gesprek in staat te voelen, waarna het Loket zijn bemiddeling heeft gestaakt. Appellant heeft de hersteldverklaring door de bedrijfsarts zonder succes aangevochten bij een commissie van drie geneeskundigen.

1.4.

Op 24 november 2010 heeft de minister appellant in kennis gesteld van zijn voornemen hem ongeschiktheidsontslag te verlenen en hem in de gelegenheid gesteld daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. Dit voornemen heeft geleid tot overleg tussen partijen, wat heeft geresulteerd in de afspraak om het ontslag niet te baseren op ongeschiktheid voor de functievervulling, maar op andere gronden als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Bij besluit van 30 december 2010 is appellant per 1 september 2011 ontslag op deze grondslag verleend, waarbij appellant tot aan de datum van ingang van het ontslag in staat wordt gesteld zich te richten op het vinden van een nieuwe, passende functie. Aan het ontslag zijn een uitkering op WW-niveau en een bovenwettelijke en nawettelijke uitkering verbonden.

1.5.

Appellant heeft tegen het besluit van 30 december 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 juni 2011 (bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Naar appellant ter zitting van de Raad uitdrukkelijk heeft bevestigd, is het niet zijn bedoeling het hem verleende ontslag op andere gronden als zodanig aan te vechten, maar is hij enkel van mening dat de bij dat ontslag getroffen financiële regeling als ontoereikend is te beschouwen. Er is daarom geen noodzaak om in te gaan op de door appellant opgeworpen vraag of de rechtbank de situatie die tot zijn ontslag heeft geleid op juiste wijze heeft omschreven en of de daarbij gebruikte terminologie “verstoorde verhoudingen” in dit geval als een passende woordkeus is te beschouwen.

3.2.

Bij het ontslag is een uitkeringsregeling op minimumniveau getroffen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een zodanige regeling in het algemeen alleen dan ontoereikend te achten, als komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid (uitspraak van

9 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173). Recente ontwikkelingen in de rechtspraak van de Raad over de ontslagvergoeding maken dit niet anders nu daarbij als voorwaarde voor een extra toekenning is gehandhaafd dat sprake is van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan (uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043).

3.3.

In dit geval is aan de bedoelde voorwaarde niet voldaan. Naar ter zitting van de Raad is gebleken, onderkent appellant dat de functie van inspecteur AMF hem niet op het lijf was geschreven en dat hij tekortschoot in de uitoefening ervan. Met het bevorderen van een detachering in passende werkzaamheden en het vervolgens, na de afwijzing hiervan door appellant, in gang zetten van een verbetertraject, heeft de werkgever zich voldoende ingespannen om de functievervulling door appellant weer vlot te trekken. De beweegredenen van appellant om zijn medewerking aan zowel de detachering als het verbetertraject te weigeren, rechtvaardigen die weigeringen niet. Na die weigeringen resteerde nog slechts de mogelijkheid van ontslag. Er is geen sprake van dat de minister de functie van appellant had moeten uitkleden tot een niveau dat beter aansloot bij zijn capaciteiten, of dat met dat doel een nieuwe functie voor appellant had moeten worden gecreëerd. De door appellant ten aanzien van de bejegening door zijn leidinggevende P gebezigde termen als pesten, koeioneren, intimideren en terroriseren zijn, ten slotte, misplaatst, nu P niets anders heeft gedaan dan het aanspreken van appellant op zijn functioneren en het zoeken naar oplossingen voor zijn tekortschieten daarin, waarbij hooguit kan worden gezegd dat P zowel in het een als het ander de nodige volharding heeft getoond.

3.4.

Van een overwegend aandeel aan de zijde van de minister zoals onder 3.2 bedoeld, is dus geen sprake. Dat betekent dat met de getroffen minimumregeling mocht worden volstaan. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD