Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
13-651 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum van de nieuw vastgestelde uitkering. Aangezien de aanvraag door appellant in augustus 2012 is ingediend staat het bepaalde in het tweede lid van art 59a van de Wuv eraan in de weg om aan hem met ingang van een eerdere datum dan 1 augustus 2012 de (verhoogde) uitkering toe te kennen. Dwingend recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/651 WUV

Datum uitspraak: 8 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 januari 2013, kenmerk BZ01536783 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Daar is appellant, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1935, ontvangt sinds 1977 een periodieke uitkering op grond van de Wuv.

1.2.

In het blad “Aanspraak” van september 2012 zijn onder andere Wuv-gerechtigden er op gewezen dat zij mogelijk recht hebben op een verhoging van de periodieke uitkering indien de (aanvullende) pensioenen door de pensioenfondsen worden verlaagd. Zo is aangegeven dat, wil men in aanmerking kunnen komen voor een verhoging van de periodieke uitkering, een nieuwe vaststelling van de uitkering kan worden gevraagd en dat deze dan zal worden beoordeeld naar de situatie op het moment van de aanvraag.

1.3.

In augustus 2012 heeft appellant verzocht zijn periodieke uitkering opnieuw vast te stellen. Verweerder heeft dat verzoek ingewilligd en heeft vervolgens bij berekeningsbeschikking van 12 oktober 2012 met ingang van 1 augustus 2012 de uitkering opnieuw vastgesteld. Het bezwaar, gericht tegen de ingangsdatum van de nieuw vastgestelde uitkering, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder de overweging dat

artikel 59a van de Wuv geen ruimte biedt voor een eerdere ingangsdatum.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

In artikel 59a, eerste lid, onder a, van de Wuv is bepaald dat op aanvraag van de uitkeringsgerechtigde de uitkering opnieuw wordt vastgesteld indien de opnieuw vast te stellen uitkering ten minste 1 % van de voor de uitkeringsrechtigde geldende grondslag hoger is dan de laatst vastgestelde of aangepaste uitkering. Het tweede lid van artikel 59a van de Wuv schrijft voor dat indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, de opnieuw vastgestelde uitkering ingaat op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

2.2.

Aangezien de aanvraag door appellant in augustus 2012 is ingediend staat het bepaalde in het tweede lid van art 59a van de Wuv eraan in de weg om aan hem met ingang van een eerdere datum dan 1 augustus 2012 de (verhoogde) uitkering toe te kennen. Het betreft hier dwingend recht. Verweerder mocht daarvan niet afwijken en kon dus geen andere beslissing nemen dan hij heeft gedaan. Dat appellant niet eerder wist van de mogelijkheid om de uitkering opnieuw vast te laten stellen en eerdere meldingen daarover in “Aanspraak” heeft gemist omdat hij het blad niet altijd leest, komt voor zijn rekening en kan aan het voorgaande niet af doen. De vertegenwoordigster van verweerder heeft ter zitting nog gewezen op de bijsluiters met (algemene) mededelingen die tweemaal per jaar aan de cliënten worden verstrekt. Ook via die weg is gewezen op de mogelijkheid van het opnieuw laten vaststellen van de uitkering.

2.3.

Het beroep van appellant moet ongegrond worden verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

HD