Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
12-2530 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Beëindiging tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee jaar. Aan de opstelling en houding van appellante mocht de minister ontlenen dat een verdere verbeterkans niet tot het beoogde resultaat zou leiden. Afzien van verbetertraject. Besluit 2: Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid om appellante met behoud van bezoldiging vrijstelling te verlenen van het verrichten van werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2530 AW, 13/6026 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van

21 maart 2012, 11/1217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingezonden.

De minister heeft naar aanleiding van een vraag van de Raad het besluit van 30 oktober 2013 genomen. Appellante heeft hierop haar zienswijze kenbaar gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden.

OVERWEGINGEN

1.

Appellantes bij besluit van 15 december 2008 verleende tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee jaar is met ingang van 15 december 2010 beëindigd. Bij besluit van 22 december 2010 is - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen die beëindiging ongegrond verklaard (besluit 1). Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

2.

Bij besluit van 17 augustus 2010 is appellante vrijgesteld van het verrichten van werk tot aan het einde van haar dienstverband. Op het daartegen gemaakte bezwaar is bij het in de vorige rubriek vermelde besluit van 30 oktober 2013 beslist om de vrijstelling te handhaven en is geweigerd de kosten van juridische bijstand te vergoeden (besluit 2).

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het haar verleende ontslag onrechtmatig is, dat zij ten onrechte geschorst is en dat haar een vergoeding toekomt voor het reizen naar haar voormalige adviseur en het maken en verzenden van geschriften.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

besluit 1

4.1.1. In hoger beroep heeft appellante betwist dat zij een tijdelijke aanstelling had voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee jaar. Tegen het onder 1 genoemde besluit van

15 december 2008 heeft appellante geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Zij heeft voorts geen geschrift van de zijde van de minister overgelegd, waarin andere aanstellingsvoorwaarden zijn opgenomen dan in het besluit van

15 december 2008. Dit brengt mee dat de op de aanstelling betrekking hebbende beroepsgrond van appellante niet slaagt. Dat de advertentietekst waarop appellante had gesolliciteerd de proeftijd niet noemde en dat het besluit van 15 december 2008 niet ondertekend is, doet daar niet aan af.

4.1.2. De Raad stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak het juiste toetsingskader heeft gehanteerd voor de beoordeling van een beëindiging van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef (uitspraak van 14 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8466).

4.1.3. De Raad schaart zich achter het oordeel van de rechtbank en de door haar daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hij verwijst daarvoor naar de aangevallen uitspraak. Overwogen wordt nog het volgende.

4.1.4. Aan appellante zijn in een gesprek van 10 augustus 2009 met haar leidinggevende verscheidene aandachtspunten gegeven voor haar toekomstige functievervulling. Hierbij is ook gememoreerd dat eind 2010 wordt beoordeeld of er een vaste aanstelling komt. In het verslag van het functioneringsgesprek van 26 april 2010 zijn meerdere tekortkomingen in appellantes functioneren vermeld, waaronder de wijze van communiceren met collega’s en leidinggevenden. Die kritische kanttekeningen acht de Raad niet zonder grond, gelet op de toonzetting van e-mailberichten uit april 2010 van appellante aan haar directe en hogere leidinggevenden, waaruit weinig gevoel voor verhoudingen blijkt. Na 26 april 2010 heeft appellante in haar wijze van communiceren geen verandering aangebracht. Zij heeft veeleer laten blijken haar houding en gedrag geheel normaal te achten en heeft steeds aan die opvatting vastgehouden. Appellantes reacties op kritische kanttekeningen bij andere aspecten van haar functioneren bestonden goeddeels uit betwisting van elk kritiekpunt, door allerlei volgens haar bestaande tekortkomingen in het functioneren van leidinggevenden en anderen op te sommen. Aan deze opstelling en houding mocht de minister ontlenen dat een verdere verbeterkans niet tot het beoogde resultaat zou leiden. De minister mocht daarom alsnog afzien van het ten tijde van het functioneringsgesprek beoogde verbetertraject.

4.1.5. Omdat besluit 1 in stand blijft wordt het verzoek van appellante om vergoeding van schade afgewezen.

4.1.6. Het hoger beroep slaagt dus niet.

besluit 2

4.2.1. Appellante had bij de rechtbank ook beroep ingesteld tegen de nalatigheid van de minister om een beslissing te nemen op het bezwaar tegen de vrijstelling van werkzaamheden. In hoger beroep heeft appellante beroepsgronden ingediend tegen deze vrijstelling, door haar schorsing genoemd. Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft de minister bij besluit 2 desverzocht alsnog op het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2010 beslist. Gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zal de Raad in overeenstemming met de door beide partijen ter zitting aangegeven wens ook over het beroep tegen besluit 2 oordelen.

4.2.2. Bij besluit 2 heeft de minister het besluit tot vrijstelling van werkzaamheden van

17 augustus 2010 aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat bij besluiten van 27 mei 2010 en 8 juli 2010 ook al tot vrijstelling van werk was besloten en appellante daartegen geen rechtsmiddelen had aangewend. Het besluit van 17 augustus 2010 is gehandhaafd, omdat appellante niet de voor toepassing van artikel 4:6 vereiste nieuwe feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd.

4.2.3. De Raad volgt de minister niet in zijn opvatting dat het besluit van 17 augustus 2010 kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voor zover in de door de minister genoemde geschriften al besluiten waren genomen tot vrijstelling van werk - in het besluit van 8 juli 2010 was alleen sprake van een verzoek -, dan betrof dit in beide gevallen eerdere, inmiddels verstreken, tijdvakken. Het besluit van 17 augustus 2010 betrof alleen de periode vanaf 13 of 17 augustus 2010 tot de einddatum van de aanstelling. Het ziet dus op iets anders dan de eerdere geschriften. Omdat de motivering van besluit 2 niet draagkrachtig is kan besluit 2 niet in stand blijven, voor zover hierin besloten is tot handhaving van het besluit van 17 augustus 2010.

4.2.4. Omdat de minister ter zitting een nieuwe motivering heeft gegeven voor de handhaving van het besluit van 17 augustus 2010 en appellante in de gelegenheid is geweest hierop te reageren, zal de Raad beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit 2 in stand kunnen worden gelaten.

4.2.5. De Raad is van oordeel dat het besluit tot vrijstelling van werk op één lijn gesteld kan worden met de toekenning van buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging. De toekenning van een dergelijk (ongevraagd) verlof betreft naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 3 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:BY7858) een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag, die daarom slechts terughoudend wordt getoetst.

4.2.6. Omdat het na de gebeurtenissen van eind april 2010 en mei 2010 niet meer zinvol was om een verbetertraject te laten plaatsvinden en inmiddels was besloten om de aanstelling van appellante per 15 december 2010 te beëindigen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid om appellante met behoud van bezoldiging vrijstelling te verlenen van het verrichten van werkzaamheden.

4.2.7. Dit brengt mee dat de rechtsgevolgen van besluit 2, voor zover hierin is besloten de vrijstelling van werkzaamheden te handhaven, in stand kunnen blijven.

4.2.8. De in besluit 2 neergelegde weigering om aan appellante de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden houdt stand, omdat het besluit van

17 augustus 2010 niet wordt herroepen.

4.2.9. Voor een vergoeding van schade is geen aanleiding.

proceskosten


4.3. Omdat het beroep tegen besluit 2 gegrond wordt verklaard is er aanleiding de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten bestaande uit de reiskosten van appellante voor het bijwonen van deze zitting ten bedrage van € 5,66.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2013 gegrond voor zover hierbij is

besloten tot handhaving van de vrijstelling van werk;

- vernietigt dat besluit in zoverre;
- laat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit geheel in stand;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2013 voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5,66.

De uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en J.J.A Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD