Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
13-6156 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. De Raad komt tot de slotsom dat aannemelijk is dat betrokkene de mishandeling en de veroordeling daarvoor niet aan zijn leidinggevenden heeft gemeld. Betrokkene heeft zich herhaaldelijk niet gehouden aan de voor de veiligheid noodzakelijke etherdiscipline. Plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6156 AW, 13/6267 AW

Datum uitspraak: 8 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 oktober 2013, 13/5424, 13/5244, 13/2982, 13/5227 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. K. de Bie, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft mr. A.J. Verhagen hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Bie. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Verhagen en A. Verschoor.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was vanaf 23 maart 1987 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), laatstelijk in de functie van penitentiair inrichtingswerker in de Penitentiaire Inrichtingen [naam].

1.2. Bij onherroepelijk geworden besluit van 28 september 2006 heeft de minister betrokkene de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd wegens plichtsverzuim, bestaande uit te laat komen, het niet dragen van correcte dienstkleding en het niet (direct) opvolgen van (dienst) opdrachten.

1.3. Bij besluit van 6 mei 2008, na bezwaar gehandhaafd bij onherroepelijk geworden besluit van 19 maart 2009, heeft de minister betrokkene de disciplinaire straf van verplaatsing opgelegd wegens plichtsverzuim, bestaande uit fysieke en verbale intimidatie van een collega.

1.4. Op 30 december 2009 heeft het afdelingshoofd een correctiegesprek gevoerd met betrokkene over zijn grensoverschrijdend gedrag en het niet dragen van correcte dienstkleding. Betrokkene heeft het verslag van dit gesprek niet ondertekend.

1.5. Op 21 juli 2010 heeft het afdelingshoofd betrokkene een waarschuwing gegeven voor het niet opvolgen van dienstinstructies door het niet bij zich dragen van alarmpiepers en voor zijn gedrag en werkhouding.

1.6. Na een melding van 15 juni 2012 over een gebrek aan etherdiscipline van betrokkene, bestaande uit onnodig lang portofoongebruik, waarmee hij de veiligheid van de mensen in de inrichting in gevaar brengt, heeft zijn leidinggevende hem hierop aangesproken in een gesprek op 21 juni 2012. Op 16 augustus 2012 heeft een collega gemeld dat betrokkene in zijn oude gedrag is teruggekeerd en dat zijn etherdiscipline weer ver te zoeken is. Ook op 30 augustus 2012 heeft betrokkene de etherdiscipline geschonden.

1.7. In een gesprek op 30 oktober 2012 hebben de plaatsvervangend vestigingsdirecteur en het afdelingshoofd betrokkene aangesproken op zijn gebrek aan etherdiscipline op 15 juni 2012 en 30 augustus 2012. Zij hebben betrokkene op de hoogte gesteld van het voornemen om hem een voorwaardelijke disciplinaire straf op te leggen, omdat uit zijn dossier blijkt dat hij al vaker is aangesproken op het niet in acht nemen van de veiligheid.

1.8. Naar aanleiding van een verzoek van 31 oktober 2012 van de vestigingsdirecteur om het gerucht te onderzoeken dat betrokkene betrokken zou zijn geweest bij een strafbaar feit, heeft het Bureau Integriteit van het Ministerie van Veiligheid en Justitie op 5 november 2012 meegedeeld dat de politierechter hem op 20 mei 2003 heeft veroordeeld wegens mishandeling, gepleegd op 21 december 2001, tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

1.9. Daarop is appellant met ingang van 7 november 2012 de toegang tot de penitentiaire inrichting ontzegd. Na het voornemen daartoe van 27 november 2012 heeft de minister bij besluit van 21 februari 2013 betrokkene de disciplinaire straf opgelegd van onvoorwaardelijk ontslag met ingang van 1 maart 2013. Bij het bestreden besluit van 9 september 2013 heeft de minister, in afwijking van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2013 ongegrond verklaard. Appellant wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim, bestaande uit:

- een onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf;

- het niet melden van dit misdrijf bij het bevoegd gezag;

- het zich niet houden aan de “etherdiscipline”.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat de minister er niet in is geslaagd te bewijzen dat betrokkene de veroordeling niet heeft gemeld. De twee overige gedragingen zijn volgens de rechtbank wel aannemelijk geworden, maar zijn niet zo ernstig dat een onvoorwaardelijk strafontslag evenredig is; een voorwaardelijk strafontslag acht zij wel evenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

3.1.

Betrokkene heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat het incident waarvoor hij in 2003 is veroordeeld niet veel om het lijf had, wat blijkt uit de minimale bestraffing door de politierechter. Nu niet aannemelijk is dat hij de strafrechtelijke veroordeling niet heeft gemeld, kan deze veroordeling hem vanwege het tijdsverloop niet meer als plichtsverzuim worden tegengeworpen. Hij mocht erop vertrouwen dat de kwestie voor de minister was afgedaan. Appellant heeft erkend dat hij zich niet altijd even strak aan de etherdiscipline houdt, maar hij stelt dat hij daarop pas voor het eerst op 30 oktober 2012 is aangesproken. Het is volgens hem niet aannemelijk dat hij de veiligheid van de inrichting in gevaar heeft gebracht.

3.2.

De minister heeft in hoger beroep aangevoerd dat de stelling van betrokkene dat hij de mishandeling en de veroordeling daarvoor heeft gemeld niet kan worden geverifieerd bij de leidinggevenden van betrokkene; K, zijn leidinggevende in 2001 is niet meer te achterhalen en O, zijn leidinggevende in 2003, is inmiddels overleden. Het personeelsdossier van betrokkene bevat geen stukken waaruit blijkt dat hij de mishandeling en de veroordeling heeft gemeld. Op grond hiervan en de verklaringen van B, unitdirecteur in de jaren 2001/2003, en afdelingshoofd V, is het aannemelijk dat betrokkene een en ander indertijd niet aan zijn leidinggevenden heeft gemeld. Betrokkene heeft nog geen begin van (tegen) bewijs geleverd van zijn stelling dat hij dat wel zou hebben gedaan. De minister meent dat de veroordeling voor een misdrijf en de herhaaldelijke schending van de etherdiscipline, gelet op de veiligheidsrisico’s van deze gedragingen, al een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing kan leiden is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijke vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.1.2. Op grond van de artikelen 50, eerste lid, en 80, eerste en tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, bezien in samenhang met het destijds geldende lokale integriteitsprotocol van de [naam PI] van 1998 en het landelijk gedragsprotocol Integriteit van 2002, mocht van betrokkene worden verwacht dat hij zowel de mishandeling in 2001 als de veroordeling daarvoor zou melden bij zijn leidinggevende. Uit de protocollen volgt verder dat ook de leidinggevenden een meldingsplicht hadden tegenover hun leidinggevenden, en dat de directeur over eventuele disciplinaire maatregelen diende beslissen. Dit is tussen partijen niet in geschil.

4.2.1. Nu navraag bij de leidinggevenden van betrokkene destijds, K en O, niet meer mogelijk is, dient de minister op basis van andere gegevens zijn standpunt te onderbouwen dat appellant geen melding heeft gemaakt van het door hem gepleegde misdrijf.

4.2.2. Het enkele feit dat de melding van het gepleegde misdrijf niet is opgenomen in het digitale personeelsdossier van betrokkene, levert op zichzelf niet het bewijs dat hij de melding niet heeft gedaan. In dit verband is relevant de opmerking van de waarnemend coördinator onderzoek in de brief van 5 november 2012, dat dergelijke zaken niet altijd opgenomen worden in het personeelsdossier en dat de mogelijkheid dus bestaat dat betrokkene dit indertijd wel heeft gemeld.

4.2.3. Gelet op het grote belang van integriteit van penitentiair inrichtingswerkers die, als zij zelf een misdrijf hebben gepleegd, hun geloofwaardigheid ten opzichte van gedetineerden kunnen verliezen en zo een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormen, is het niet aannemelijk dat, indien betrokkene melding zou hebben gemaakt van het door hem gepleegde misdrijf, de opeenvolgende leidinggevenden, in strijd met de integriteitsprotocollen, vervolgens niets met de meldingen van betrokkene zouden hebben gedaan. Zeker nu betrokkene, zoals hij zelf stelt, van de mishandeling en de veroordeling nooit een geheim heeft gemaakt, had het voor de hand gelegen dat dit dan bij de latere incidenten rond het niet in acht nemen van de veiligheid, zoals beschreven onder 1.2 tot en met 1.6, in ieder geval wel ter sprake was gebracht. Dat dit niet gebeurd is vormt een aanwijzing dat men er niet van op de hoogte was.

4.2.4. De minister heeft wel navraag kunnen doen bij B, in 2001/2003 unitdirecteur en leidinggevende van K en O, en bij V, indertijd afdelingshoofd en mentor van O. B heeft verklaard dat hij van K en O nooit iets heeft gehoord over de mishandeling en de veroordeling en dat hij daar vanzelfsprekend disciplinaire maatregelen aan had verbonden indien hij daarvan wel kennis had gehad. Ook betrokkene zelf, met wie hij regelmatig persoonlijke en functionele gesprekken voerde, heeft hem er niets over verteld. Afdelingshoofd V heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat hij dagelijks contact had met O en verklaard dat hij zeker weet dat O de veroordeling voor mishandeling van betrokkene met hem besproken zou hebben als hij daar van had geweten.

4.2.5. Naar het oordeel van de Raad heeft de minister hiermee een begin van bewijs geleverd dat betrokkene zijn meldingsplicht niet is nagekomen. Het gewicht van dit bewijs wordt mede bepaald door wat betrokkene heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat hij wel aan zijn meldingsplicht heeft voldaan.

4.2.6. Betrokkene heeft een tweetal identieke verklaringen, ondertekend door twee collega’s, overgelegd. Daarin staat dat betrokkene, voor zover hen bekend, met het toenmalige afdelingshoofd (dat was O) heeft gesproken over zijn veroordeling en dat het gebeurde en de veroordeling al eerder bekend waren op het werk daar betrokkene er nooit een geheim van heeft gemaakt. De Raad stelt vast dat deze verklaringen niets zeggen over de melding van het incident in 2001 aan K. Verder leveren zij niet het bewijs dat betrokkene de veroordeling in 2003 aan O heeft gemeld, omdat de collega’s hierover in deze niet door henzelf opgestelde verklaringen immers niet verklaren uit eigen wetenschap. Dat een en ander bekend was op het werk vindt, behalve in het gerucht dat eind oktober 2012 kennelijk de ronde deed in de inrichting, geen enkele bevestiging in de overige ter beschikking staande gegevens.

4.2.7. Gevraagd naar het verloop van de gesprekken waarin hij een en ander aan K en O zou hebben gemeld, heeft betrokkene ter zitting van de Raad daar een zeer summiere beschrijving van gegeven.

4.2.8. Op grond van wat onder 4.2.1 tot en met 4.2.7 is overwogen, komt de Raad tot de slotsom dat aannemelijk is dat betrokkene de mishandeling en de veroordeling daarvoor niet aan zijn leidinggevenden heeft gemeld.

4.3.

Gelet op de hoge eisen die aan de integriteit van een medewerker van DJI mogen en moeten worden gesteld en het veiligheidsrisico verbonden aan een veroordeling wegens een misdrijf, zoals hiervoor onder 4.2.3 al is beschreven, doen het feit dat sprake was van een voorwaardelijke veroordeling en het tijdsverloop sinds de veroordeling niet af aan de ernst en de risico’s daarvan.

4.4.

Uit de stukken is verder gebleken dat betrokkene zich herhaaldelijk, namelijk op 15 juni 2012, 16 augustus 2012 en 30 augustus 2012 niet heeft gehouden aan de voor de veiligheid noodzakelijke etherdiscipline.

4.5.

Met de hiervoor vermelde gedragingen heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, zodat de minister bevoegd was om hem een disciplinaire straf op te leggen. Gelet op de aard en de ernst van de gedragingen en in aanmerking genomen dat van medewerkers bij de DJI mag worden verwacht dat zij van onbesproken gedrag zijn, acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig. Volledigheidshalve merkt de Raad op dat de combinatie van de veroordeling en de herhaaldelijke schending van de etherdiscipline op zichzelf een onvoorwaardelijk ontslag had kunnen rechtvaardigen.

4.6.

Uit wat hiervoor is verwogen volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Het hoger beroep van de minister slaagt wel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten door de minister, zal worden vernietigd en dat de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond zal verklaren.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten door de minister;

- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 9 september 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

ew