Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
12-2182 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De uitkomst van de beoordeling van een verzoek als door appellant ingediend, was resultaat van een individuele afweging en stond van tevoren niet vast. Appellant kon er daarom ten tijde van de indiening van zijn verzoek niet van uitgaan dat dit zou worden ingewilligd. Kort nadien zijn de beoordelingscriteria aangescherpt. Appellant valt in elk geval niet in de termen daarvan. Van toezeggingen dat appellant een vergoeding zou krijgen is niet gebleken. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2182 AW, 13/2397 AW

Datum uitspraak: 8 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

21 maart 2012, 11/9389 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft drs. G.N.R. Priem hoger beroep ingesteld.

Namens de korpsbeheerder heeft mr. E. Nijhof, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Op 31 januari 2013 heeft een onderzoek ter zitting door een enkelvoudige kamer van de Raad plaatsgevonden waar appellant is verschenen, bijgestaan door drs. Priem. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Nijhof en mr. drs. L. van der Toorn.

Op die zitting heeft de Raad een mondelinge tussenuitspraak gedaan, waarna de korpschef op 15 april 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen.

Op 11 februari 2014 heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Op 27 maart 2014 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K. Beumer, advocaat, en de korpschef zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Nijhof en mr. drs. Van der Toorn.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 6 maart 2008 werkzaam als rechercheur A bij de politieregio Haaglanden. Medio december 2010 is binnen deze politieregio bekend gemaakt dat het korps met het oog op noodzakelijke bezuinigingen de personele bezetting wil terugbrengen. In aanvulling op een eerdere regeling voor politieambtenaren van 60 jaar en ouder, is in dit verband de mogelijkheid geboden om de dienst met financiële steun van het korps eerder te verlaten. Er wordt een individuele afweging gemaakt waarbij onder meer van belang is of de betrokkene een sleutelfunctie bezet, hij unieke kennis/vaardigheden heeft, onlangs een (kostbare) opleiding heeft gevolgd of (langdurig) ziek is.

1.2. Op 29 december 2010 heeft appellant een verzoek ingediend om ontslag per

31 oktober 2011 met gebruikmaking van deze vertrekmogelijkheid. Dit verzoek is op of omstreeks 29 juli 2011 mondeling afgewezen.

1.3. Bij besluit van 21 november 2011 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de voor het maken van bezwaar wettelijk voorgeschreven termijn.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1.

Bij de tussenuitspraak van 31 januari 2013 heeft de Raad overwogen dat bestreden

besluit 1 niet in stand kan blijven nu het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en zodoende is nagelaten inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. De korpschef is opgedragen dit gebrek binnen zes weken te herstellen.

3.2.

Vervolgens heeft de korpschef zijn beslissing op bezwaar van 15 april 2013 (bestreden besluit 2) genomen, waarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard. Daarbij is overwogen dat geen recht bestond op inwilliging van een verzoek om financiële ondersteuning bij voortijdig vertrek. Begin 2011 zijn de beoordelingscriteria aangescherpt in die zin dat jonge executieve medewerkers die midden in het operationele proces staan niet langer financieel werden gestimuleerd de dienst te verlaten. De functie en de leeftijd van appellant waren reden zijn verzoek af te wijzen.

4.

De Raad overweegt hierover als volgt.

4.1.

De uitkomst van de beoordeling van een verzoek als door appellant ingediend, was resultaat van een individuele afweging en stond van tevoren niet vast. Appellant kon er daarom ten tijde van de indiening van zijn verzoek niet van uitgaan dat dit zou worden ingewilligd. Kort nadien zijn de beoordelingscriteria aangescherpt. Appellant valt in elk geval niet in de termen daarvan.

4.2.

Van toezeggingen dat appellant een vergoeding zou krijgen is niet gebleken. Het enkele feit dat het lang heeft geduurd voordat op het verzoek werd beslist, rechtvaardigt geen vertrouwen op inwilliging.

4.3.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. In het door appellant in dit verband genoemde geval van zijn collega T is weliswaar een vergoeding toegekend maar dit had volgens de korpschef (mede) te maken met functioneringsproblemen die een vertrek wenselijk deden zijn. Dit geval kan daarom niet gelijk worden gesteld met dat van appellant.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat bestreden besluit 1 moet worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit ten onrechte in stand is gelaten. Het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen bestreden besluit 2 is ongegrond.

5.

Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2011 gegrond en vernietigt dit

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 april 2013 ongegrond;

- bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 384,- vergoedt;

- veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD