Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
14-946 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/946 WWB-VV, 14/856 WWB

Datum uitspraak: 30 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. N. Birrou, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (rechtbank) van 16 januari 2014, 13/3389 en 13/3820 (aangevallen uitspraak). Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2014. Voor verzoekster is verschenen mr. Birrou. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanovic.

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster ontving met ingang van 24 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verzoekster is tot 24 december 2009 gehuwd geweest met [naam ex-echtgenoot]. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden dat verzoekster zou samenwonen met de

ex-echtgenoot heeft de sociale recherche Roermond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder andere dossieronderzoek en waarnemingen verricht. De sociale recherche heeft tweemaal een huisbezoek op het adres van verzoekster afgelegd, bij welke gelegenheid verzoekster en de ex-echtgenoot verklaringen hebben afgelegd. Daarnaast heeft de sociale recherche de zoon van verzoekster en de ex-echtgenoot (zoon), alsmede diverse buurtbewoners gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 15 november 2012, 25 maart 2013 en 4 april 2013.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 4 april 2013 de bijstand van verzoekster met ingang van 21 september 2012 ingetrokken en tevens een - op 26 maart 2013 ingediende - aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 22 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college de wettelijke grondslag van de besluitvorming gewijzigd in die zin dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met de ex-echtgenoot, dat zij hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college en dat als gevolg daarvan ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. Voorts heeft het college overwogen dat verzoekster geen inlichtingen heeft verstrekt over de inkomens- en vermogenspositie van de ex-echtgenoot, zodat de (gezamenlijke) bijstandsbehoeftigheid van verzoekster en de ex-echtgenoot niet beoordeeld kan worden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het ingediende beroepschrift geen gronden bevat en dat verzoekster niet binnen de daartoe gestelde termijn beroepsgronden heeft ingediend.

3.

Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de gronden van het beroepschrift tijdig bij de rechtbank zijn ingediend.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.1.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift gronden van beroep. Artikel 6:6 van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.4.2.

Gelet op het door verzoekster in hoger beroep overgelegde bewijs van indiening van de gronden van het beroep en het verhandelde ter zitting is niet (langer) in geschil dat verzoekster de gronden van het beroep tijdig bij de rechtbank heeft ingediend. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Met het oog op finale beslechting van het geschil en na een inhoudelijke behandeling van het geschil ter zitting ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Met toepassing van artikel 8:116 van de Awb zal de voorzieningenrechter de zaak zelf afdoen.

4.5.Verzoekster heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zij een gezamenlijke huishouding voert met de ex-echtgenoot. Daarnaast heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij voldoende inlichtingen heeft verstrekt over de inkomens- en vermogenspositie van de

ex-echtgenoot en dat, ook indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding, recht op bijstand bestaat.

4.6.1.

De te beoordelen periode loopt van 21 september 2012, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 4 april 2013, de datum van het primaire besluit.

4.6.2.

Ter beantwoording ligt voor de vraag of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat verzoekster en de ex-echtgenoot in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.6.3.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.6.4.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander. Omdat verzoekster en de ex-echtgenoot samen kinderen hebben, is gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB in dit geval voor de vaststelling of sprake is van een gezamenlijke huishouding slechts bepalend of verzoekster en de ex-echtgenoot in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.6.5.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college terecht geconcludeerd dat verzoekster en de ex-echtgenoot in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van verzoekster hadden. Het college heeft hierbij terecht betekenis toegekend aan de bevindingen van de op 30 oktober 2012 en 16 januari 2013 afgelegde huisbezoeken. Hoewel verzoekster tijdens het eerste huisbezoek heeft verklaard dat zij geen contact meer heeft met de ex-echtgenoot, is hij tijdens dit huisbezoek verscholen op de zolder van de woning van verzoekster aangetroffen. Tevens zijn in de schuur recente poststukken op zijn naam aangetroffen. Ook bij het huisbezoek van 16 januari 2013 is de ex-echtgenoot in de vroege ochtend aangetroffen in de woning van verzoekster. De verklaring van de ex-echtgenoot dat hij in de ochtend lopend van zijn woning aan de [adres] naar verzoekster is gegaan is niet geloofwaardig, nu uit onderzoek is gebleken dat de ex-echtgenoot de huur van de woning aan de Emmalaan met ingang van 21 september 2012 heeft opgezegd en de sleutels heeft ingeleverd bij de verhuurder. Voorts is uit nader onderzoek van de sociale recherche op

16 januari 2013 gebleken dat de woning aan de[adres] leeg was, dat de woning te koop stond en dat er bij de voordeur - de woning beschikt niet over een achteruitgang - geen zichtbare voetsporen in de sneeuw aanwezig waren. Verder blijkt uit de paspoorten van verzoekster en de ex-echtgenoot dat zij van 11 oktober 2012 tot en met 29 oktober 2012 in Turkije hebben verbleven. Met betrekking tot deze reis hebben zij verklaard ziekenhuizen en imams te hebben bezocht in verband met de psychische ziekte van verzoekster. De zoon heeft op 28 januari 2013 verklaard dat zijn vader, na de reis naar Turkije, gedurende 40 dagen zijn moeder moest wassen en lezingen moest verzorgen. Deze lezingen vonden in de ochtend plaats en de bewassing op het moment van de dag dat zijn moeder daar de kracht voor had. Tot slot hebben buurtbewoners verklaard dat op het adres van verzoekster een man, vrouw en kinderen wonen en is de auto van de ex-echtgenoot bij waarnemingen in de periode van

28 augustus 2012 tot en met 5 december 2012 veelvuldig in de nabijheid van de woning van verzoekster aangetroffen.

4.6.6.

Nu de ex-echtgenoot in de te beoordelen periode geen woning meer had en niet gesteld is dat hij dakloos of adresloos zou zijn, heeft het college met de onderzoeksbevindingen aannemelijk gemaakt dat voor de ex-echtgenoot het adres van appellante het centrum van zijn bestaan was, en dat hij daar dus hoofdverblijf had. De stelling dat de ex-echtgenoot niet bij verzoekster woont, maar slechts bij haar verblijft om haar te verzorgen, kan niet leiden tot de conclusie dat de ex-echtgenoot niet zijn hoofdverblijf had op het adres van verzoekster. De motieven voor het verblijf bij verzoekster zijn immers voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding niet relevant.

4.6.7.

Uit wat onder 4.6.4 tot en met 4.6.6 is overwogen volgt dat verzoekster en de

ex-echtgenoot in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verzoekster heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht daarvan geen melding gemaakt aan het college. Aangezien zij in deze periode niet als zelfstandig subject recht op bijstand had, was het college bevoegd de bijstand van appellante met ingang van

21 september 2012 in te trekken.

4.6.8.

Voor zover verzoekster heeft beoogd aan te voeren dat, als zij haar verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, bijstand naar de norm voor gehuwden zou zijn verstrekt, kan deze grond in het kader van het beroep tegen het besluit tot intrekking van bijstand niet slagen. Deze grond kan slechts een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het college in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering van de over de periode van intrekking gemaakte kosten van bijstand. Ter zitting is gebleken dat het college nog geen besluit tot terugvordering heeft genomen.

4.6.9.

Uit 4.6.3 tot en met 4.6.8 volgt dat het bestreden besluit in stand kan blijven, zodat het beroep daartegen ongegrond moet worden verklaard.

5.

Gelet op wat onder 4.6 is overwogen, bestaat gezien het onder 4.1 genoemde criterium geen grond om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat het zal worden afgewezen.

6.

Verzoekster heeft zich pas in hoger beroep op het standpunt gesteld - en hiervan bewijs overgelegd - dat de gronden van het beroep tijdig bij de centrale balie van de rechtbank zijn afgegeven. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het college aan verzoekster het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 122,- vergoedt;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.T.P. Pot

Tegen deze uitspraak, voor zover gedaan in de bodemzaak, kunnen partijen binnen zes weken na datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD