Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1565

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
12-6290 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Bezit onroerend goed in het buitenland. Ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken zijn buiten beschouwing gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6290 WWB, 12/6291 WWB

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

17 oktober 2012, 12/610 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te[woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 maart 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Roemers. Als getuigen zijn gehoord [getuige1] en[getuige2], beiden te [plaats], vennoten van de vennootschap[naam vennootschap].

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen van 15 januari 2006 tot en met 26 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Zij waren van 27 juli 2009 tot en met 28 augustus 2010 woonachtig in Montenegro.

1.2.

Appellanten hebben op 30 augustus 2010 een aanvraag om bijstand ingediend. Naar aanleiding van in het kader van deze aanvraag verkregen informatie heeft de sociale recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, het Internationaal Bureau Fraude (IBF) om inlichtingen verzocht, getuigen gehoord en appellanten als verdachten verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 21 november 2011. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellant één van de vennoten was van de in 2004 opgerichte onderneming[naam vennootschap]. [getuige1]. en [getuige2] waren de andere vennoten van[naam vennootschap]. Appellant is gedurende de gehele periode van 15 januari 2006 tot en met 26 juli 2009 bij[naam vennootschap] betrokken geweest. Uit het onderzoek van het IBF blijkt dat[naam vennootschap] onroerende zaken in Montenegro bezit. Dit betreft een perceel van 500 m2, bebouwd met een huis, percelen van 800 m2 en 26.817 m2 met bos en percelen grond van 3.103 m2 en 6.467 m2 (percelen). Op 6 oktober 2010 was op de website van[naam vennootschap] te lezen dat de vennoten gezamenlijk enkele objecten hebben aangekocht.[naam vennootschap] beoogt op één van de percelen een vakantiepark te bouwen.[naam vennootschap] heeft daarnaast diverse objecten bekeken voor de verkoop en biedt op de website tevens diensten aan: "Wij hebben een aantal van deze objecten in onze catalogus opgenomen om een zo breed mogelijk aanbod van onroerend goed te hebben. Ook hebben wij contacten met enkele hotel- en appartementeigenaren, dus wilt u Montenegro eens gaan bekijken dan regelen wij graag uw reis en verblijf. Wij hopen dat wij u als toerist of koper van een van onze objecten mogen begroeten en daarna alle zaken die te maken hebben met uw object te mogen behartigen." Ook staat op de website dat appellant de intermediair van[naam vennootschap] in Montenegro is. "Hij begeleidt daar, in samenwerking met zijn (Nederlands sprekende) broer, potentiële kopers en eigenaren met allerlei zaken."

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

30 november 2011 de bijstand over de periode van 15 januari 2006 tot en met 26 juli 2009 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 58.260,06 van appellanten terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden, door geen melding te maken van de percelen en van de werkzaamheden van appellant als vennoot van[naam vennootschap]. Als gevolg daarvan kan het college het recht op bijstand in de periode in geding niet vaststellen.

1.4.

Het college heeft het tegen het besluit van 30 november 2011 gerichte bezwaar bij besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben, voor zover hier van belang, op 13 maart 2014 een e-mailbericht van de boekhouder van[naam vennootschap] en een gecomprimeerde balans over de periode 2006 tot 2010 ingediend. Deze stukken zijn in het Montenegrijns opgesteld. Appellanten hebben op

24 maart 2014 een vertaling van deze stukken ingediend. Het college heeft ter zitting van de Raad aangevoerd niet op die stukken te kunnen reageren en daardoor in zijn procesbelang te zijn geschaad. De stukken dienen volgens het college om die reden buiten beschouwing te worden gelaten.

4.2.

Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Omdat het college niet heeft kunnen reageren op de daags voor de zitting toegezonden vertalingen, zullen deze buiten beschouwing worden gelaten. Omdat een vertaling nodig is voor een begrip van de in het Montenegrijns opgestelde stukken, zal op de in het Montenegrijns opgestelde stukken geen acht worden geslagen.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4.

Appellanten betwisten niet dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Die schending levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellanten voeren in hoger beroep één grond aan. Zij menen, anders dan de rechtbank, dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, zij over de periode in geding recht op volledige bijstand zouden hebben gehad. Zij stellen daartoe dat appellant geen andere inbreng in[naam vennootschap] heeft gehad dan het ten behoeve van R. en H. tolken. Hij heeft dat hooguit negen keer een week gedaan. Hij heeft daarvoor geen vergoeding ontvangen. Pas als[naam vennootschap] winst zou maken, zou appellant aanspraak kunnen maken op 15% van de winst.[naam vennootschap] heeft nooit winst gemaakt. Appellanten stellen tot slot dat zij geen bezittingen hebben in Montenegro.

4.6.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij recht op bijstand zouden hebben gehad, indien zij de inlichtingenverplichting wel zouden zijn nagekomen. Daartoe zijn onvoldoende de stelling van appellant en de verklaringen van[getuige1] en[getuige2] dat appellant slechts gedurende beperkte perioden werkzaamheden als tolk heeft verricht en daaruit geen inkomsten heeft genoten. Appellanten hebben hun standpunt niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Zo ontbreekt een administratie waaruit de aard en de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden blijken. Uit de website van[naam vennootschap], de door appellant ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring en de door de getuige [getuige] afgelegde verklaring volgt dat de werkzaamheden van appellant meer inhielden dan het enkel tolken ten behoeve van [getuige1] en [getuige2]Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het tot de daarin omschreven werkzaamheden nooit is gekomen, omdat de activiteiten van[naam vennootschap] niet van de grond zijn gekomen door juridische geschillen inzake de percelen. Ook ontbreekt een administratie met betrekking tot het onroerend goed van[naam vennootschap]. Daardoor is niet duidelijk wie de percelen voor welke waarde heeft gekocht en ook niet wie de percelen heeft ingebracht in de vennootschap. Gelet daarop, alsmede gelet op het feit dat niet duidelijk is hoe de waarde van de percelen zich na de inbreng heeft ontwikkeld, is niet duidelijk op welk bedrag appellant bij uittreden uit de vennootschap aanspraak kan maken.

4.7.

Appellanten hebben ter zitting verzocht in de gelegenheid te worden gesteld te proberen in Montenegro alsnog concrete en verifieerbare gegevens ter onderbouwing van hun standpunt te achterhalen. Zij zullen daartoe niet in de gelegenheid worden gesteld. Appellanten hebben sinds het besluit van 30 november 2011 de gelegenheid gehad om gegevens bijeen te brengen. Dat een slechte verstandhouding met[getuige1]en [getuige2] tot voor kort in de weg zou hebben gestaan de nodige gegevens te bemachtigen, komt voor rekening en risico van appellanten. Het onderzoek is volledig geweest, zodat geen aanleiding bestaat het onderzoek te heropenen.

4.8.

Gelet op 4.6 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en P.W. van Straalen en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD